Groningen

Versterkte buitenplaatsen in Groningen

Borgen in Groningen

In tegenstelling tot in de rest van Nederland, is in Groningen het oude woord “burg” of “burcht” in ere gehouden, waardoor kastelen in het noorden van Nederland twee kenmerkende benamingen hebben: in Friesland “stinzen” en in Groningen “borgen”. Toch is de benaming “borg” aan enige devaluatie onderhevig geweest, doordat ook niet middeleeuwse kastelen, maar ook bepaalde huizen uit latere eeuwen de benaming “borg” kregen. Zo zijn er in de 17e eeuw buitenhuizen van verveners geweest die men “borgen”of “veenborgen” ging noemen. Later gingen zelfs gewone maar rijke boeren en burgers hun huis borg noemen en sinds 1980 ongeveer is het een geliefde benaming voor flatgebouwen en bejaardenhuizen.

Steenhuizen


Sommige families in het terpen- en wierdenland van Friesland en Groningen, maar ook in de omringende streken en landen, waren succesvol in het vergaren van land, macht en rijkdom. Vaak waren zij het ook die goede banden met de machthebbers van het moment onderhielden. Als dergelijke families eenmaal een sterke positie in de maatschappij hadden verkregen, dan wisten ze die meestal generaties lang te behouden.
In het terpen- en wierdenland veranderden de boerderijen van welvarende boeren in steenhuizen. Steenhuizen waren boerderijen die, net als de kloosters en kerken, waren gebouwd van gebakken steen. Dikke muren en kleine ramen zorgden ervoor dat de bewoners goed beschermd werden tegen agressie van anderen. Vaak waren de steenhuizen hoger dan de gewone boerderijen en bevond het woongedeelte zich op een hogere verdieping, terwijl de onderste verdieping werd gebruikt voor de opslag van goederen.

Niet alle steenhuizen hadden zo’n verdieping. Van de oude pastorie in Warffum bijvoorbeeld, was het bewoonde gedeelte op de begane grond. De bescherming moest daar van de dikke muren komen.
In sommige gevallen groef men rond een steenhuis een gracht om het indringers nog moeilijker te maken het huis te benaderen. Daarmee lijken dergelijke huizen nu vaak op kleine kastelen. De steenhuizen werden vaak vergroot met extra vertrekken en bijgebouwen, zoals stallen. Het waren immers boven alles boerderijen. De meeste grote versterkte boerderijen, omringd door een gracht, die we in Friesland ‘stinzen’ en ‘states’ noemen en in Groningen ‘borgen’ zijn ooit als het steenhuis van een belangrijke en welvarende familie begonnen.
Toen er krachtiger wapens, zoals kanonnen, werden uitgevonden, konden dikke muren van baksteen niet veel bescherming meer bieden. De meeste borgen, stinzen en states veranderden in de loop van de 17de eeuw opnieuw. In plaats van bescherming te bieden lieten ze in die tijd vooral zien hoe welgesteld de bewoners waren. De kleine vensters werden vergroot en rond de huizen werden mooie boomgaarden en siertuinen aangelegd. In de 18de eeuw bereikt de pronkerigheid van borgen, states en stinzen een hoogtepunt.
Veel families behielden door onderlinge huwelijken hun invloed, macht en rijkdom, maar er ontstond een probleem. Sommige families hadden nu niet één, maar meerdere borgen in bezit. Dat was kostbaar. Tegen het eind van de 18de eeuw en in de 19de eeuw werd hun invloed bovendien beperkt en hun inkomstenbronnen werden minder.

De borgen, states en stinzen waren vanaf dat moment geen statussymbool meer, maar een blok aan het been. Veel van deze statige huizen werden daarom afgebroken. Ze werden ‘op afbraak verkocht’; dat wil zeggen dat er een veiling werd georganiseerd waar men bouwmaterialen, bomen, gereedschappen, meubels en andere zaken kon kopen. Zo werden deze statige huizen gerecycled.
Veel borgen, states en stinzen zijn verdwenen. Steenhuizen in hun oorspronkelijke staat zijn ook zeer zeldzaam. De Schierstins in Friesland is een mooi voorbeeld van een stins, maar ook het steenhuis van Bunderhee, vlak over de grens bij Bad Nieuweschans is vrijwel nog in oorspronkelijke staat te bewonderen. Hier en daar kun je nog wel resten van steenhuizen vinden in gebouwen die in de loop der eeuwen sterk zijn veranderd, zoals de pastorie in Warffum en de Camstrastaete in Firdgum.

Tot de dertiende eeuw waren, bij gebrek aan natuursteen, vrijwel alle huizen en gebouwen van ons land opgetrokken uit hout. De brandende pijlen van belegeraars vormden de ernstigste bedreiging van mensen, die zich achter houten muren verschansten. Maar toen in de 13de eeuw de baksteen door premonstratenzer monniken werd geïntroduceerd, kon men beginnen aan de bouw van sterke, onbrandbare, stenen huizen. De bakstenen of kloostermoppen waren duur. De bouw van een steenhuis kwam dan ook altijd voor rekening van een rijk grondbezitter. Zo’n steenhuis dat tussen 1300 en 1400 werd gebouwd was ca. 11 meter lang en 8 meter breed. De muren werden stevig opgemetseld, wel een meter dik. De toegang lag op de eerste verdieping. Het steenhuis werd niet bewoond maar bood in tijden van gevaar bescherming aan de heer en zijn gezin en de omwonende boeren. Als de laatste vluchteling in het steenhuis was gevlucht, werd de ladder achter hem opgehaald. Er was een waterput, een stookplaats en een voedselvoorraad. Als het voedsel op was, verscheen de gevaarlijkste vijand ten tonele: het spook van de hongersnood. Hij kon de belegerden na verloop van tijd dwingen zich als nog over te geven aan de belegeraars. Pas in de 16de eeuw, toen dikke muren niet meer bestand bleken tegen de zware vuurwapens, verloor het steenhuis zijn nut.

Veel Groninger borgen zijn als steenhuis begonnen. Gebouwd in de 13e en de 14e eeuw, waren ze toen iets bijzonders.

Er zijn maar enkele steenhuizen over: het steenhuis te Bunde en het Iwema steenhuis in Niebert. Belegeringen kwamen vaak voor in de strijd om de macht. Koningen en keizers hadden in de het afgelegen, soms moerassige en door veel water doorsneden Groninger land in feite minder in te brengen. Vandaar dat iedereen zijn gang kon gaan.

Heerden

Steenhuizen stonden op de erven van hoofdelingen. Dit waren in feite boeren die een heerd bezaten.

Een heerd was een rijke (want van steen gebouwde) boerderij, die zich qua vorm ontwikkeld had uit een soort “hallehuis”, waarin vee en mensen nog in een ruimte ondergebracht waren tot zgn. langhuizen.

Sommigen van die boeren kregen een positie van hoofdelingen, een naam die aangeeft, dat zij in een bepaald gebied de verantwoordelijkheid hadden voor het leiden van de verdediging tegen gewapende overvallers en vaak ook rechten hadden t.a.v. rechtspraak en andere rechten die horen bij heerlijkheden: benoemingen in de kerk, collatierecht (heffen van belasting), jachtrecht, recht van zwanendrift en duivenvlucht e.d.

Van steenhuis tot borg

Het steenhuis werd soms uitgebreid met een traptoren om de verdiepingen te kunnen bereiken. Woonvleugels werden bijgebouwd en een gevelsteen met wapenschild aangebracht, zodat het de allure kreeg van een adellijk onderkomen. Bij de drie Groninger borgen Fraeylemaborg, Menkemaborg en Verhildersum is het oorspronkelijke steenhuis nog terug te vinden. In de keuken van de Fraeylemaborg zijn zelfs nog drie schietnissen te zien. De bijbehorende boerderij bleef bestaan en bij de borg werden voorgebouwen gebouwd om de opbrengsten van het collatierecht te bewaren (het schathuis), voor paardenstallen en koetshuis en voor personeel.

Hoofdelingenfamilies breidden soms hun steenhuizen uit en gingen er in wonen. Later werden er bijgebouwen en vleugels aangebouwd. Doordat de families niet meer zelf een boerenbedrijf hadden, werden deze gebouwen de schathuizen, waarin de “schatting”bewaard kon worden, stallen en dienstwoningen voor personeel.

Van de ongeveer110 steenhuizen en borgen die in 1650 in de provincie Groningen gestaan hebben, zijn er nog maar een paar over en een deel daarvan is eerder een restant te noemen dan een borg. Zij hebben allemaal een bestemming gekregen, die weinig meer te maken heeft met het beheren van een landgoed of heerlijkheid.

Aristocratie

Van echte adel is echter meestal geen sprake. De benaming “hoofdeling” was niet erfelijk en men was evenmin door een vorst tot ridder geslagen of in de adelstand verheven op een enkele uitzondering na. Ook al waren soms door vorsten officiële heerlijkheidsrechten verleend, dan betekent dat nog niet, dat men in de adelstand verheven was. Men had in Groningen rond 1450 een eigen soort titel bedacht, die van “jonker”. In Oost-Friesland is het de graaf Ulrick Cirksena die de Addinga’s van Westerwolde tot de adelstand verhieven, waardoor dezen zich in 1473 jonkers noemden. Pas vanaf 1515 zijn er enkele families echt geridderd: Rengers, Lewe, Alma en later via rechten in Oost-Friesland ook Ripperda. De invloed van de stad Groningen op haar ommelanden doet zich gelden. Vanaf 1600 werd het voor patriciërs uit vooral de stad Groningen mogelijk om zich de titel jonker aan te meten indien men een borg had gekocht. Smalend werd gesproken van “stadsadel”, maar er kwam al met al een onderling afgesproken duidelijkheid over wie zich jonker mocht noemen en nog voor 1700 werd in Groningen de stand van jonkers afgeschaft.