Limburg

Kastelen in Limburg

De naam Limburg is in de 19e eeuw gegeven aan de grote provincie Limburg van de Verenigde Nederlanden. De naam was afkomstig van het vroegere, grotendeels Limburgstalige hertogdom Limburg rond het stadje Limburg aan de Vesder, in het noordoosten van de huidige Belgische provincie Luik. Dit oude hertogdom Limburg behoorde samen met de Landen van Overmaas tot de vroegere Staten-Generaal van de Nederlanden (van 1464 tot 1795). Omdat anders de naam van het historische gewest Limburg verloren zou gaan, was het in 1815 de persoonlijke wens van koning Willem I, dat de nieuwe grote Maasprovincie binnen het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden deze oude naam ging dragen.

Etymologie
De etymologie van de naam Limburg is onduidelijk, althans die van het eerste woorddeel. Duidelijk is wel, dat het van oorsprong een Duitse naamvorm is. Het tweede woorddeel, -burg, analoog aan het Duitse woord Burg, (Middelnederlands: burch, burch) was het oorspronkelijke woord voor een (berg)vesting. In de Germaanse talen ging de betekenis over tot ‘(burcht)stad’, vergelijk de woorden burger (letterlijk ‘inwoner van een burcht’), burgemeester, burggraaf en burgwal. In de middeleeuwen verengde de betekenis tot burcht of slot, een versterkt kasteel.
De betekenis van Lim- is duister. Klassieke etymologische handboeken suggereren een verband met het woord leem (D.: Lehm), dat ‘modder’ of ‘slijk’ betekent. Aangezien de burcht van het thans Waalse Limburg een echte bergvesting is, hooggelegen op een rotsachtig plateau boven de Vesder, is deze verklaring hier weinig aannemelijk. De naam zou volgens anderen ook afgeleid kunnen zijn van lint (‘draak’, ‘lintworm’), zodat Limburg eigenlijk ‘drakenburcht’ zou betekenen, maar ook daarvoor ontbreken bij het thans Waalse Limburg concrete aanwijzingen. Dergelijke verklaringen zijn mogelijk eerder van toepassing op andere, Duitse locaties die de naam ‘Limburg’ dragen of droegen. De plaatsnaam Limburg komt namelijk vaker voor in Duitsland, waarvan het bekendste is het stadje Limburg an der Lahn, in Hessen. Ook op enkele andere plaatsen in Duitsland zijn of waren er ooit locaties van die naam.

Territoriale eenmaking
Territoriale versnippering in het gebied van de Limburgen in 1350
Tussen de elfde eeuw en 1795 was het gebied geen territoriale eenheid. Met name het gebied ten oosten van de Maas, tussen Venlo en Maastricht, was een lappendeken van grotere en kleinere gebiedjes die rechtskundig los van elkaar stonden. Sedert het Partagetraktaat van 1661 en de vrede van Utrecht (1713) bezat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden belangrijke exclaves binnen de latere provincies Limburg, en ook enkele kleinere delen van de latere provincie Luik. Andere gebiedsdelen stonden onder Spaans-Oostenrijks en Nederrijns-Pruisisch gezag.[5] Zo was Horst, westelijk van de Maas, in de 18e eeuw een Pruisisch kanton en bezaten de Nederlandse Republiek en Oostenrijk oostelijk van de Maas een veelvoud van exclaves of gebiedsdelen: de restanten van het oude Gelderse Overkwartier, en de (Brabantse) Landen van Overmaas.

Groningen

Versterkte buitenplaatsen in Groningen

Borgen in Groningen

In tegenstelling tot in de rest van Nederland, is in Groningen het oude woord “burg” of “burcht” in ere gehouden, waardoor kastelen in het noorden van Nederland twee kenmerkende benamingen hebben: in Friesland “stinzen” en in Groningen “borgen”. Toch is de benaming “borg” aan enige devaluatie onderhevig geweest, doordat ook niet middeleeuwse kastelen, maar ook bepaalde huizen uit latere eeuwen de benaming “borg” kregen. Zo zijn er in de 17e eeuw buitenhuizen van verveners geweest die men “borgen”of “veenborgen” ging noemen. Later gingen zelfs gewone maar rijke boeren en burgers hun huis borg noemen en sinds 1980 ongeveer is het een geliefde benaming voor flatgebouwen en bejaardenhuizen.

Steenhuizen


Sommige families in het terpen- en wierdenland van Friesland en Groningen, maar ook in de omringende streken en landen, waren succesvol in het vergaren van land, macht en rijkdom. Vaak waren zij het ook die goede banden met de machthebbers van het moment onderhielden. Als dergelijke families eenmaal een sterke positie in de maatschappij hadden verkregen, dan wisten ze die meestal generaties lang te behouden.
In het terpen- en wierdenland veranderden de boerderijen van welvarende boeren in steenhuizen. Steenhuizen waren boerderijen die, net als de kloosters en kerken, waren gebouwd van gebakken steen. Dikke muren en kleine ramen zorgden ervoor dat de bewoners goed beschermd werden tegen agressie van anderen. Vaak waren de steenhuizen hoger dan de gewone boerderijen en bevond het woongedeelte zich op een hogere verdieping, terwijl de onderste verdieping werd gebruikt voor de opslag van goederen.

Niet alle steenhuizen hadden zo’n verdieping. Van de oude pastorie in Warffum bijvoorbeeld, was het bewoonde gedeelte op de begane grond. De bescherming moest daar van de dikke muren komen.
In sommige gevallen groef men rond een steenhuis een gracht om het indringers nog moeilijker te maken het huis te benaderen. Daarmee lijken dergelijke huizen nu vaak op kleine kastelen. De steenhuizen werden vaak vergroot met extra vertrekken en bijgebouwen, zoals stallen. Het waren immers boven alles boerderijen. De meeste grote versterkte boerderijen, omringd door een gracht, die we in Friesland ‘stinzen’ en ‘states’ noemen en in Groningen ‘borgen’ zijn ooit als het steenhuis van een belangrijke en welvarende familie begonnen.
Toen er krachtiger wapens, zoals kanonnen, werden uitgevonden, konden dikke muren van baksteen niet veel bescherming meer bieden. De meeste borgen, stinzen en states veranderden in de loop van de 17de eeuw opnieuw. In plaats van bescherming te bieden lieten ze in die tijd vooral zien hoe welgesteld de bewoners waren. De kleine vensters werden vergroot en rond de huizen werden mooie boomgaarden en siertuinen aangelegd. In de 18de eeuw bereikt de pronkerigheid van borgen, states en stinzen een hoogtepunt.
Veel families behielden door onderlinge huwelijken hun invloed, macht en rijkdom, maar er ontstond een probleem. Sommige families hadden nu niet één, maar meerdere borgen in bezit. Dat was kostbaar. Tegen het eind van de 18de eeuw en in de 19de eeuw werd hun invloed bovendien beperkt en hun inkomstenbronnen werden minder.

De borgen, states en stinzen waren vanaf dat moment geen statussymbool meer, maar een blok aan het been. Veel van deze statige huizen werden daarom afgebroken. Ze werden ‘op afbraak verkocht’; dat wil zeggen dat er een veiling werd georganiseerd waar men bouwmaterialen, bomen, gereedschappen, meubels en andere zaken kon kopen. Zo werden deze statige huizen gerecycled.
Veel borgen, states en stinzen zijn verdwenen. Steenhuizen in hun oorspronkelijke staat zijn ook zeer zeldzaam. De Schierstins in Friesland is een mooi voorbeeld van een stins, maar ook het steenhuis van Bunderhee, vlak over de grens bij Bad Nieuweschans is vrijwel nog in oorspronkelijke staat te bewonderen. Hier en daar kun je nog wel resten van steenhuizen vinden in gebouwen die in de loop der eeuwen sterk zijn veranderd, zoals de pastorie in Warffum en de Camstrastaete in Firdgum.

Tot de dertiende eeuw waren, bij gebrek aan natuursteen, vrijwel alle huizen en gebouwen van ons land opgetrokken uit hout. De brandende pijlen van belegeraars vormden de ernstigste bedreiging van mensen, die zich achter houten muren verschansten. Maar toen in de 13de eeuw de baksteen door premonstratenzer monniken werd geïntroduceerd, kon men beginnen aan de bouw van sterke, onbrandbare, stenen huizen. De bakstenen of kloostermoppen waren duur. De bouw van een steenhuis kwam dan ook altijd voor rekening van een rijk grondbezitter. Zo’n steenhuis dat tussen 1300 en 1400 werd gebouwd was ca. 11 meter lang en 8 meter breed. De muren werden stevig opgemetseld, wel een meter dik. De toegang lag op de eerste verdieping. Het steenhuis werd niet bewoond maar bood in tijden van gevaar bescherming aan de heer en zijn gezin en de omwonende boeren. Als de laatste vluchteling in het steenhuis was gevlucht, werd de ladder achter hem opgehaald. Er was een waterput, een stookplaats en een voedselvoorraad. Als het voedsel op was, verscheen de gevaarlijkste vijand ten tonele: het spook van de hongersnood. Hij kon de belegerden na verloop van tijd dwingen zich als nog over te geven aan de belegeraars. Pas in de 16de eeuw, toen dikke muren niet meer bestand bleken tegen de zware vuurwapens, verloor het steenhuis zijn nut.

Veel Groninger borgen zijn als steenhuis begonnen. Gebouwd in de 13e en de 14e eeuw, waren ze toen iets bijzonders.

Er zijn maar enkele steenhuizen over: het steenhuis te Bunde en het Iwema steenhuis in Niebert. Belegeringen kwamen vaak voor in de strijd om de macht. Koningen en keizers hadden in de het afgelegen, soms moerassige en door veel water doorsneden Groninger land in feite minder in te brengen. Vandaar dat iedereen zijn gang kon gaan.

Heerden

Steenhuizen stonden op de erven van hoofdelingen. Dit waren in feite boeren die een heerd bezaten.

Een heerd was een rijke (want van steen gebouwde) boerderij, die zich qua vorm ontwikkeld had uit een soort “hallehuis”, waarin vee en mensen nog in een ruimte ondergebracht waren tot zgn. langhuizen.

Sommigen van die boeren kregen een positie van hoofdelingen, een naam die aangeeft, dat zij in een bepaald gebied de verantwoordelijkheid hadden voor het leiden van de verdediging tegen gewapende overvallers en vaak ook rechten hadden t.a.v. rechtspraak en andere rechten die horen bij heerlijkheden: benoemingen in de kerk, collatierecht (heffen van belasting), jachtrecht, recht van zwanendrift en duivenvlucht e.d.

Van steenhuis tot borg

Het steenhuis werd soms uitgebreid met een traptoren om de verdiepingen te kunnen bereiken. Woonvleugels werden bijgebouwd en een gevelsteen met wapenschild aangebracht, zodat het de allure kreeg van een adellijk onderkomen. Bij de drie Groninger borgen Fraeylemaborg, Menkemaborg en Verhildersum is het oorspronkelijke steenhuis nog terug te vinden. In de keuken van de Fraeylemaborg zijn zelfs nog drie schietnissen te zien. De bijbehorende boerderij bleef bestaan en bij de borg werden voorgebouwen gebouwd om de opbrengsten van het collatierecht te bewaren (het schathuis), voor paardenstallen en koetshuis en voor personeel.

Hoofdelingenfamilies breidden soms hun steenhuizen uit en gingen er in wonen. Later werden er bijgebouwen en vleugels aangebouwd. Doordat de families niet meer zelf een boerenbedrijf hadden, werden deze gebouwen de schathuizen, waarin de “schatting”bewaard kon worden, stallen en dienstwoningen voor personeel.

Van de ongeveer110 steenhuizen en borgen die in 1650 in de provincie Groningen gestaan hebben, zijn er nog maar een paar over en een deel daarvan is eerder een restant te noemen dan een borg. Zij hebben allemaal een bestemming gekregen, die weinig meer te maken heeft met het beheren van een landgoed of heerlijkheid.

Aristocratie

Van echte adel is echter meestal geen sprake. De benaming “hoofdeling” was niet erfelijk en men was evenmin door een vorst tot ridder geslagen of in de adelstand verheven op een enkele uitzondering na. Ook al waren soms door vorsten officiële heerlijkheidsrechten verleend, dan betekent dat nog niet, dat men in de adelstand verheven was. Men had in Groningen rond 1450 een eigen soort titel bedacht, die van “jonker”. In Oost-Friesland is het de graaf Ulrick Cirksena die de Addinga’s van Westerwolde tot de adelstand verhieven, waardoor dezen zich in 1473 jonkers noemden. Pas vanaf 1515 zijn er enkele families echt geridderd: Rengers, Lewe, Alma en later via rechten in Oost-Friesland ook Ripperda. De invloed van de stad Groningen op haar ommelanden doet zich gelden. Vanaf 1600 werd het voor patriciërs uit vooral de stad Groningen mogelijk om zich de titel jonker aan te meten indien men een borg had gekocht. Smalend werd gesproken van “stadsadel”, maar er kwam al met al een onderling afgesproken duidelijkheid over wie zich jonker mocht noemen en nog voor 1700 werd in Groningen de stand van jonkers afgeschaft.

Gelderland

Kastelen in Gelderland

Kastelen in alle soorten en maten.

De middeleeuwse burchten en adellijke huizen zijn nauw verbonden met de Gelderse geschiedenis en met de ontwikkeling van het landschap. De provincie kent veel verschillende landschappen, met onder meer het laaggelegen rivierengebied, de hogere zandgronden en de heuvels van de Veluwe en het Rijk van Nijmegen. Ook in de vorm en ontwikkeling van de kastelen is er een grote verscheidenheid. Zo werden in het oosten van de provincie verschillende mottekastelen gesticht, onder meer in Rijk van Nijmegen en in het Montferland, met de gelijknamige burchtheuvel bij ’s-Heerenberg. Op de Veluwe en aan de Veluwezoom zijn uit de vroege middeleeuwen ringwalburgen bewaard, zoals de Hunneschans bij het Uddelermeer. In het rivierengebied werden onder meer zaaltorenkastelen gesticht, die later vaak uitgroeiden tot grotere complexen. Kasteel Hernen is op een dergelijke manier vanuit een versterkte woontoren ontstaan. Het Maarten van Rossumhuis in Zaltbommel is een van de Gelderse stadskastelen.

Veel van de grote, bekende kastelen in Gelderland zijn tegenwoordig in bezit van de Stichting Geldersch Landschap & Kasteelen. Daarbij zijn indrukwekkende middeleeuwse burchten zoals Ammersoyen bij Ammerzoden, maar ook versterkte adellijke huizen en kastelen die na de middeleeuwen zijn omgevormd tot buitenplaatsen, zoals het huis Verwolde bij Laren.

Graven, hertogen en heren

Voor wie werden de Gelderse kastelen gebouwd? In de eerste plaats waren er de graven en – vanaf 1339 – hertogen van Gelre. De Gelderse graven hadden hun oorspronkelijke machtsgebied in het zogenoemde Overkwartier of het Kwartier van Roermond, dat Noord-Limburg en het aangrenzende gebied in het huidige Duitsland omvatte. Geleidelijk breidden zij hun bezittingen uit en daarbij kwam de nadruk meer te liggen op de kwartieren van Nijmegen, Zutphen en Arnhem, ook wel de Nederkwartieren genoemd. De graven bezaten in de verschillende delen van hun land burchten, die als militair steunpunt en administratief centrum dienden, en waar zij tijdelijk konden verblijven tijdens hun rondreizen. Kasteel Rosendael – nu vooral bekend om het park met de achttiende-eeuwse ‘bedriegertjes’ – was een van die burchten.

In het Gelderse machtsgebied lagen ook heerlijkheden en landgoederen die buiten het directe gezag van de graven en hertogen vielen. De heren en grondeigenaren die hier woonden, bezaten versterkte huizen. Veel van hen droegen in de loop van de dertiende of aan het begin van de veertiende eeuw hun burchten op aan de graaf, waarna zij die in leen terug ontvingen. Dit soort ‘opdrachten’ was een uitvloeisel van de toegenomen macht van de graven, en op deze wijze wisten zij lokale machthebbers aan zich te binden. Deze machthebbers behoorden tot de grotere groep van edelen die de graaf met raad en daad bij het beheer van zijn land bijstonden.

Om tot deze groep te behoren was een ridderlijke levenswijze noodzakelijk. Dit bekende onder meer dat je niet met handwerk je brood verdiende, maar anderen voor je kon laten werken en dat je in staat moest zijn een paard en harnas te kopen en te onderhouden. Verder moest je een eigen wapenschild hebben en het bezit van een eigen (versterkt) huis op het platteland vormde een afspiegeling van de status die je in de eigen woonomgeving had verworven. In de loop van de veertiende eeuw nam het aantal adellijke huizen zo sterk toe, dat er uiteindelijk in bijna ieder dorp wel ten minste één was. Begin vijftiende eeuw duikt in de bronnen voor het eerst de term ‘ridderschap’ op, als een duidelijk afgebakende groep, een aparte stand. Deze ging – naast de vertegenwoordiging van de steden – een belangrijke rol spelen in het bestuur van de Gelderse kwartieren. Het bezit van een kasteel of huis was van groot belang voor het aanzien van de ridders en veelal noemde men zich naar zijn bezit. Dit zien we in namen als Van der Borch tot Verwolde en Van Heeckeren van Kell.

Kasteel en landschap

Kastelen vormden vaak het centrum van een machtsgebied, zoals een heerlijkheid, een graafschap of een hertogdom. Waar een kasteel binnen zo’n gebied werd gebouwd, werd bepaald door verschillende factoren. Veel burchten en versterkte huizen zijn gesticht langs beken en rivieren. Dit geldt voor het Gelderse rivierengebied, maar ook voor de Achterhoek en de Veluwe. Water was belangrijk voor de verdediging – om de slotgracht op peil te houden – en het werd op de hellingen van de Veluwe en de Achterhoek ook gebruikt om molens aan te drijven. De gerestaureerde watermolen van het huis Hackfort is daarvan een goed voorbeeld. Verder waren rivieren de belangrijkste transportwegen in de middeleeuwen en kon men er tol heffen. Bij Lobith en Tiel werden daarom grafelijke tolburchten gebouwd.

Waar een kasteel werd gesticht, werd vooral bepaald door de functie. Er waren kastelen die voortkwamen uit ontginningsboerderijen en overwegend een economische functie hadden. Dit soort complexen is te vinden in gebieden met goede landbouwgrond. Jachtsloten werden in bosrijke streken gesticht, onder meer in de beekdalen aan de randen van de Veluwe. Het Oude Loo was van oorsprong een jachtslot en ook de kastelen Rosendael en Staverden werden als uitvalsbasis voor jachtpartijen gebruikt. De ligging van grenskastelen van de graven en later hertogen van Gelre werd door weer andere factoren bepaald. Ze lagen op goed verdedigbare plaatsen, zoals hoogten in moerassen, en waar belangrijke verkeers- en handelsroutes grenzen kruisten. Het kasteel van Bredevoort – de plaats is nu bekend als ‘boekenstad’ – lag op zo’n strategisch punt.

Defensie en bewoning

De bouwkundige ontwikkeling van kastelen werd vooral bepaald door de eisen en wensen op het gebied van defensie en bewoning. Kastelen hadden – afhankelijk van de sociale positie van de eigenaar – ook een representatieve functie en verder waren de middelen die ter beschikking stonden medebepalend voor de toepassing van vernieuwingen. De hertog van Gelre had kastelen waarbij in de middeleeuwen de defensieve aspecten een veel grotere rol speelden dan bij de huizen van de lage adel. Overigens was het recht om een kasteel te bouwen tot in de zestiende eeuw voorbehouden aan de landsheer. Hij gaf edelen toestemming om hun huizen te versterken.

De oudste kastelen in Gelderland zijn ringwalburgen en motteburchten. Walburgen zijn omgeven door ovale tot hoefijzervormige aarden wallen met grachten. Op deze wallen stonden houten palissaden – ‘muren’ van naast elkaar geplaatste palen. Binnen deze aardwerken werd al dan niet permanent gewoond. Een fraai voorbeeld van een vroegmiddeleeuwse hoefijzervormige walburg is de Hunneschans op landgoed de Duno bij Doorwerth. De wal is hier onderbroken langs de steile helling van de stuwwal.

Rond het jaar 1000 werden in Noordwest-Europa de eerste motteversterkingen gebouwd. Een mottekasteel had een kunstmatige heuvel met een gracht en veelal ook een tweede, al dan niet opgehoogd omgracht terrein. Op de hoofdburcht stond bij de vroegste motteversterkingen nog een houten toren, maar later werd in steen gebouwd. Het tweede terrein, de voorburcht, bevatte woningen van dienaren, schuren en stallen. Met een oppervlak van 90 bij 60 meter en een hoogte van 12 tot 20 meter is de motte Montferland bij Zeddam een van de grootste versterkingen in zijn soort. Mottes werden later soms afgevlakt om plaats te bieden aan meer en grotere bebouwing. Zo ontstonden de veelhoekige kastelen Waardenburg en Huis Berg en het ronde kasteel Batenburg. Deze ontwikkeling kwam op gang nadat baksteen aan het begin van de dertiende eeuw als goedkoop bouwmateriaal beschikbaar was gekomen. Het was vooral de hoge adel die op deze wijze zijn oude burchten liet ‘verstenen’.

De lage adel liet vanaf de tweede helft van de dertiende eeuw meestal woontorens of zaaltorens bouwen. Woontorens zijn vrijstaande, omgrachte gebouwen met drie of vier woonniveaus boven elkaar. In rustige perioden woonde men doorgaans in een ruimer huis op de voorburcht. Gebruikelijker waren de zogeheten zaaltorens, rechthoekige gebouwen met een of meer afgescheiden nevenruimten. Kasteel Nijenbeek aan de IJssel bij Voorst – tegenwoordig een ruïne – is hiervan een voorbeeld.

Na de kastelen op basis van afgevlakte mottes verschenen bij de hoge adel nieuwe typen, zoals het vierkante of rechthoekige kasteel. In de Nederlanden werd dit type naar Franse en Engelse voorbeelden aan het einde van de dertiende eeuw ingevoerd. De Gelderse landsheren, die met het verkrijgen van de hertogentitel in 1339 sterk in aanzien waren gestegen, pasten na 1350 de vierkante of rechthoekige plattegrond toe bij kastelen als het Tolhuis in Lobith, Grunsvoort, Rosendael en de Dikke Tinne in Hattem. Een van de meest imposante vierkante kastelen is Ammersoyen, een forse burcht met ronde hoektorens.

In de vijftiende eeuw nam de kracht van het geschut sterk toe en werd het steeds moeilijker kastelen te bouwen die een aanval konden weerstaan. Steeds meer edelen gaven de ‘wapenwedloop’ op en lieten hun huizen nog slechts een quasidefensief uiterlijk geven. Wel hield men vast aan grachten, poorten en ophaalbruggen. Vanaf die tijd werden huizen met één, twee of drie vleugels gebouwd. Een traptoren in de binnenhoek van twee vleugels gaf toegang tot de verschillende verdiepingen. Midden zestiende eeuw ontstonden veel L-vormige huizen, waarvan het huis Vorden een goed bewaard voorbeeld is. Er werden ook nog steeds vierkante en rechthoekige kastelen met hoektorens gebouwd, zoals Biljoen in Velp (1530) en de Cannenburch in Vaassen (circa 1540-1560), die een middeleeuwse voorganger heeft gehad. Opdrachtgever Cannenburch was Maarten van Rossem, de veldheer die niet alleen bekend is om zijn krijgsdaden, maar ook omdat hij de renaissancestijl introduceerde in Gelderland. Het kasteel in Vaassen getuigt daarvan met nog enigszins onbeholpen uitgevoerde ornamenten aan de voortoren.

Na de middeleeuwen

Wat is er over van de middeleeuwse kastelen in Gelderland? In de vijftiende en zestiende eeuw verloren de meeste Gelderse kastelen hun defensieve functie. Slechts enkele kastelen bleven langer in militair gebruik, zoals slot Loevestein, dat deel werd van een vesting in de (Nieuwe) Hollandse Waterlinie. Veel kastelen werden gemoderniseerd en aangepast aan nieuwe eisen van wooncomfort. Grotere vensters lieten meer licht toe en nieuwe interieurs brachten meer comfort. Verschillende burchten werden grotendeels of geheel afgebroken en al dan niet vervangen door landhuizen of buitenplaatsen. Soms lijkt er op het eerste gezicht weinig over van het oude, versterkte huis, maar blijkt er bij nader onderzoek nog verrassend veel bewaard gebleven. Zo bevat het zeventiende-eeuwse huis Middachten nog een middeleeuwse kern. Waar nu de centrale hal met het imposante trappenhuis ligt, was ooit de binnenplaats van het kasteel.

Vanaf de negentiende eeuw zijn verschillende Gelderse kastelen gerestaureerd of geconsolideerd. De stichtingen Het Geldersch Landschap en Vrienden der Geldersche Kasteelen, respectievelijk opgericht in 1929 en 1940, speelden bij het behoud van de gebouwen en hun omringende aanleg een belangrijke rol. Tijdens de Tweede Wereldoorlog raakten veel van de nog overgebleven middeleeuwse kastelen zwaar beschadigd en de beide stichtingen fungeerden in de naoorlogse jaren als een vangnet voor in hun voortbestaan bedreigde kastelen. Van de grote restauraties die werden uitgevoerd, spreekt die van kasteel Doorwerth misschien wel het meest tot de verbeelding. Het in 1915 door Vereniging ‘De Doorwerth’ gerestaureerde complex werd in 1944 grotendeels verwoest. Aan de naoorlogse restauratie werd 37 jaar gewerkt, eerst door ‘De Doorwerth’ en vanaf 1956 onder leiding van Geldersche Kasteelen. In 2005 werd ook het herstel van kasteel Nederhemert voltooid, dat jarenlang werd gezien als het laatste grote oorlogsschadegeval onder de Nederlandse kastelen. Dit was een belangrijke mijlpaal in de geschiedenis van de organisaties die sinds 2013 voortgaan onder de naam Stichting Geldersch Landschap & Kastelen.

Friesland

Versterkte buitenplaatsen in Friesland

Sommige families in het terpen- en wierdenland van Friesland en Groningen, maar ook in de omringende streken en landen, waren succesvol in het vergaren van land, macht en rijkdom. Vaak waren zij het ook die goede banden met de machthebbers van het moment onderhielden. Als dergelijke families eenmaal een sterke positie in de maatschappij hadden verkregen, dan wisten ze die meestal generaties lang te behouden.
In het terpen- en wierdenland veranderden de boerderijen van welvarende boeren in steenhuizen. Steenhuizen waren boerderijen die, net als de kloosters en kerken, waren gebouwd van gebakken steen. Dikke muren en kleine ramen zorgden ervoor dat de bewoners goed beschermd werden tegen agressie van anderen. Vaak waren de steenhuizen hoger dan de gewone boerderijen en bevond het woongedeelte zich op een hogere verdieping, terwijl de onderste verdieping werd gebruikt voor de opslag van goederen.

Niet alle steenhuizen hadden zo’n verdieping. Van de oude pastorie in Warffum bijvoorbeeld, was het bewoonde gedeelte op de begane grond. De bescherming moest daar van de dikke muren komen.
In sommige gevallen groef men rond een steenhuis een gracht om het indringers nog moeilijker te maken het huis te benaderen. Daarmee lijken dergelijke huizen nu vaak op kleine kastelen. De steenhuizen werden vaak vergroot met extra vertrekken en bijgebouwen, zoals stallen. Het waren immers boven alles boerderijen. De meeste grote versterkte boerderijen, omringd door een gracht, die we in Friesland ‘stinzen’ en ‘states’ noemen en in Groningen ‘borgen’ zijn ooit als het steenhuis van een belangrijke en welvarende familie begonnen.
Toen er krachtiger wapens, zoals kanonnen, werden uitgevonden, konden dikke muren van baksteen niet veel bescherming meer bieden. De meeste borgen, stinzen en states veranderden in de loop van de 17de eeuw opnieuw. In plaats van bescherming te bieden lieten ze in die tijd vooral zien hoe welgesteld de bewoners waren. De kleine vensters werden vergroot en rond de huizen werden mooie boomgaarden en siertuinen aangelegd. In de 18de eeuw bereikt de pronkerigheid van borgen, states en stinzen een hoogtepunt.
Veel families behielden door onderlinge huwelijken hun invloed, macht en rijkdom, maar er ontstond een probleem. Sommige families hadden nu niet één, maar meerdere borgen in bezit. Dat was kostbaar. Tegen het eind van de 18de eeuw en in de 19de eeuw werd hun invloed bovendien beperkt en hun inkomstenbronnen werden minder.

De borgen, states en stinzen waren vanaf dat moment geen statussymbool meer, maar een blok aan het been. Veel van deze statige huizen werden daarom afgebroken. Ze werden ‘op afbraak verkocht’; dat wil zeggen dat er een veiling werd georganiseerd waar men bouwmaterialen, bomen, gereedschappen, meubels en andere zaken kon kopen. Zo werden deze statige huizen gerecycled.
Veel borgen, states en stinzen zijn verdwenen. Steenhuizen in hun oorspronkelijke staat zijn ook zeer zeldzaam. De Schierstins in Friesland is een mooi voorbeeld van een stins, maar ook het steenhuis van Bunderhee, vlak over de grens bij Bad Nieuweschans is vrijwel nog in oorspronkelijke staat te bewonderen. Hier en daar kun je nog wel resten van steenhuizen vinden in gebouwen die in de loop der eeuwen sterk zijn veranderd, zoals de pastorie in Warffum en de Camstrastaete in Firdgum.

Flevoland

Flevoland is de jongste provincie van Nederland; het is als provincie erkend in 1986. Het grondgebied bestaat vrijwel geheel uit de voormalige bodem van de Zuiderzee, die in de 20e eeuw deels is drooggelegd.

Schokland en Urk
De eilandjes Schokland en Urk bestonden al voor de drooglegging van de Zuiderzee. Schokland was een eiland tussen Urk en het vasteland bij Vollenhove; het was tot 1660 in handen van de heren van Kuinre. In de loop der tijd is dit eiland sterk verkleind totdat in de 20e eeuw slechts een smalle strook land over was; reeds in 1859 moest Schokland ontruimd worden, waarna het aan Kampen werd toegevoegd.
De oudst bekende vermelding van de naam ‘Urk’ is de schenkingsakte uit 966 van keizer Otto I aan het Sint-Pantaleonsklooster te Keulen. De tekst luidt: “cuiisdam insulae medietatem in Almere, que Urch vocatur” (zeker eiland in Almere, dat Urch genoemd wordt). Urk kwam in de 13e eeuw aan het graafschap Holland.
Schokland en Urk behoorden van 1660 tot 1792 tot de stad Amsterdam, daarna (na vele herindelingen in de Franse tijd) tot 1859 respectievelijk 1950 tot Noord-Holland, in welke jaren ze opnieuw bij Overijssel werden ingedeeld.
Tot 1932 lagen ze als eilanden in de Zuiderzee, daarna (door de voltooiing van de Afsluitdijk) in het IJsselmeer. Sinds de drooglegging van de Noordoostpolder in 1942 liggen Schokland en Urk in deze polder en maken deel uit van het vasteland.

Polderplannen
Sinds 1886 pleitte de Zuiderzeevereeniging voor inpoldering van de Zuiderzee, en daarbinnen nam Dr. Ir. C. Lely al snel de leiding. De inpoldering had twee doelen: de Zuiderzee, die steeds voor rampzalige overstromingen zorgde, moest worden bedwongen (waarvoor eerst een Afsluitdijk moest worden aangelegd), en de landaanwinning leverde ook meer landbouwgrond en woongebied op. Lely voltooide in 1891 zijn plan en werd minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, maar het plan had te weinig politiek draagvlak en werd op de lange baan geschoven.
Op 14 juni 1918 werd de Zuiderzeewet aangenomen, waarin tot de inpoldering van de Zuiderzee werd besloten. Dit werd mogelijk door een ommekeer in de publieke opinie na de watersnood van 1916. De uitvoering van het plan door de Dienst der Zuiderzeewerken (zie ook Zuiderzeewerken) gebeurde in fasen en duurde zo’n driekwart eeuw.

Drooglegging Noordoostpolder
Op 2 februari 1936 werd met de voorbereidende werkzaamheden voor de aanleg van de Noordoostpolder begonnen en in 1937 werd de aanleg van in totaal 31,5 kilometer dijk aanbesteed. Op 3 oktober 1939 werd de dijk tussen Lemmer en Urk gesloten. Urk was voortaan geen eiland meer. In 1940 werd de dijk aan de kant van Overijssel bij Vollenhove gesloten en kon het droogmalen beginnen. De polder viel officieel droog op 9 september 1942. Nu verloor ook Schokland de eilandstatus; Schokland lag voortaan in de polder.
De kersverse polder werd al snel een toevluchtsoord voor onderduikers, omdat de arbeiders waren vrijgesteld van de Arbeitseinsatz. Van de afkorting NOP (van NoordOostPolder) werd in die tijd gezegd dat die ook stond voor “Nederlands Onderduikers Paradijs”. In totaal zouden er circa twintigduizend personen ondergedoken zijn geweest. In november 1944 werden bij een grote razzia veel onderduikers opgepakt en via Vollenhove afgevoerd.
Tot op de dag van vandaag is die gebeurtenis nog terug te vinden in de polder, onder andere aan de weg Onderduikerspad, in Espel/Creil. Na de Tweede Wereldoorlog werd begonnen met de bouw van boerderijen, waarbij voor het eerst gebruik werd gemaakt van prefab betonelementen. In 1947 begon de uitgifte van grond. De nieuwe boeren waren streng geselecteerd. Ze kwamen voornamelijk uit Friesland, Noord-Holland, en Zeeland (onder andere uit Walcheren dat in oktober 1944 door de geallieerden onder water was gezet).

Drenthe

De Prehistorie heeft in Drenthe tot ver in de middeleeuwen geduurd. Schriftelijke bronnen van voor de dertiende eeuw zijn zeer schaars.

Omvang en naam
Het middeleeuwse Drenthe kende niet dezelfde grenzen als de huidige provincie. De naam Drenthe verwijst naar drie samenwerkende delen, maar de oudst bekende indeling geeft zes dingspelen. Verondersteld wordt dat die zes zijn ontstaan uit drie oudere delen die door Blok worden aangeduid met Noordenveld, Westenveld en Zuidenveld. De windrichting verwijst daarbij naar de ligging van het betreffende veld ten opzichte van het Ellertsveld.
Tot het Noordenveld behoorde oorspronkelijk ook het Goorecht, het gebied rond de stad Groningen. Aangenomen wordt echter dat Karel de Grote dit al tot kroondomein heeft ingericht, waarmee het de facto buiten Drenthe kwam te liggen. In het zuiden hoorde Coevorden oorspronkelijk niet tot Drenthe, maar tot Salland. De stad zou echter wel een grote rol spelen in de middeleeuwse geschiedenis van de provincie, omdat de heer van Coevorden als kastelein lange tijd de vertegenwoordiger was van de landsheer.
Tot het Westenveld moet oorspronkelijk ook het gebied van de Stellingwerven hebben behoord. Hoe en wanneer deze zijn overgegaan naar Friesland is niet bekend.

Landsheer
Drenthe lag op de grens van het gebied van de Saksen en de Friezen. Onbekend is wanneer het tot het rijk van Karel de Grote is gaan behoren. Na de nederlaag van de Saksen tegen Karel de Grote (804) zal Drenthe zeker deel van het rijk geworden zijn. In de periode tot 1046 wordt Drenthe een aantal malen als graafschap in bronnen genoemd, waarbij de graaf veelal een buitenstaander is.
In 1024 wordt de bisschop van Utrecht voor het eerst begunstigd met het graafschap Drenthe. Die schenking werd pas in 1046 effectief toen keizer Hendrik III bisschop Bernold het graafschap overdroeg. Tot de tijd van keizer Karel V zou de bisschop van Utrecht landsheer van Drenthe blijven.

Kerstening
Van Willehad is bekend dat hij actief is geweest in Drenthe. Hij zou in 779 uit Humsterland zijn verdreven en toen naar Drenthe getrokken zijn waar hij velen zou hebben bekeerd. Een van de oudste bewaard gebleven oorkonden dateert uit 820, daarin is sprake van een schenking van land rond Ten Arlo aan het klooster Werden, hetgeen er op kan wijzen dat ook Liudger in Drenthe actief is geweest.
In hoeverre die predikers in Drenthe al kerken hebben gesticht is niet bekend. De oudste kerken van Drenthe zijn de zes kerken die in de hoofdplaatsen van de dingspellen zijn gesticht. Ten minste drie daarvan (Anloo, Emmen en Beilen) waren bekend als eigenkerk van de bisschop, hetgeen een aanwijzing kan zijn dat deze ook door de bisschop zijn gesticht, vermoedelijk ergens tussen 800 en 1000. De kerk van Vries was een eigenkerk van Werden, van Diever wordt aangenomen dat deze gesticht werd door de bisschop, van Rolde is de kerkheer onbekend.

Bestuur
Formeel heeft Drenthe in de Middeleeuwen steeds een landsheer gehad. Drenthe lag echter aan de rand van het Oversticht en was ook geen gewest waar voor de landsheer veel te verdienen viel. In de praktijk was Drenthe in deze periode dan ook vooral een verzameling van grotendeels zelfstandige dorpsgemeenschappen die zelfvoorzienend waren en slechts voor het hoognodige elkaars medewerking zochten.
Hoge middeleeuwen[bewerken]

Bisschop Otto II en zijn leger, vlak voor de slag bij Ane
De geschiedenis van Drenthe in de periode 1150-1400 wordt gedomineerd door de strijd tussen de kastelein (later ook aangeduid als burggraaf) van Coevorden en de bisschop. Hoogtepunt in deze strijd is de slag bij Ane in 1227.
De strijd om de macht

De Utrechtse bisschop was niet alleen geestelijk leidsman, hij heerste ook als wereldlijk heer over een aanzienlijk territorium. Drenthe lag aan het uiteinde van zijn gebieden. Om een grotere greep op de verderop gelegen gebieden te krijgen had bisschop Hartbert halverwege de twaalfde eeuw familieleden aangesteld als prefect in Groningen en Coevorden. Beide ambten werden daarbij erfelijk gemaakt, waardoor zowel in Groningen als in Coevorden een dynastie ontstond. De nazaten van de eerste prefecten, beiden broers van bisschop Hartbert, gedroegen zich allesbehalve als bisschoppelijke ambtenaren, zij streefden naar een eigen heerlijkheid.
Het gezag van de bisschop als landsheer in Drenthe was steeds zwak geweest.

Late middeleeuwen
Drenthe blijft lang een naar binnen gekeerd gewest. Aan het einde van de Middeleeuwen raakt het wel betrokken bij de grotere geschiedenis. In het begin van de zestiende eeuw verliest de bisschop zijn macht en wordt Drenthe na een intermezzo onder Karel van Gelre in 1536 deel van het Nederlandse Rijk van keizer Karel V, maar de Drenthen zelf merken weinig van die veranderingen.

Drenthe en de Opstand
De Nederlandse Opstand is vooral een strijd om steden, die waren er niet in Drenthe, zodat er binnen Drenthe geen veldslagen hebben plaatsgevonden. De Landschap had wel zwaar te lijden van de overlast van doortrekkende troepen.

Tussen twee vuren
De grieven die in Holland en andere gewesten tot de Opstand hadden geleid werden in Drenthe nauwelijks gevoeld. Van enige godsdienstige twist was in het gewest geen sprake, dat Filips II de Drentse vrijheden zou bedreigen werd ook niet ervaren.
Toen de Opstand uitbrak was er echter een fractie in Drenthe die daarin een mogelijkheid zag zijn invloed binnen het gewest te vergroten. De Ridderschap zag zichzelf als leidend in Drenthe, maar de eigengeërfden hadden een eigen positie voor de Riddermatigen steeds weten tegen te houden. Een aantal ridders sloten zich aan bij de Opstand en waren er mede voor verantwoordelijk dat de Landschap in 1580 alsnog de Unie van Utrecht ondertekende.

Noord-Brabant

Kasteel bezoeken in Noord-Brabant

Kastelen in NoordBrabant

De oudste Brabantse kastelen waren versterkingen op een enkele meters hoge heuvel die motte wordt genoemd. Aanwijzingen voor het bestaan van een motte zijn echter schaars. De plek is vaak geërodeerd of door de bouw van een latere versterking verdwenen.

Iets later ontstonden de versterkte huizen of stenen bouwwerken bij boerderijen die bescherming konden bieden in tijden van gevaar. We spreken dikwijls van woontorens. In de loop van de tijd konden woontorens uitgroeien tot echte versterkingen, vierkante of ronde waterburchten die een rol speelden in de verdediging van de bezittingen van de heer of zelfs van het hertogdom Brabant. De laatste burchten met primair een militaire functie dateren van de 15de eeuw. Na de uitvinding van het buskruit bleken die vaak niet bestand tegen beschietingen door moderne artillerie en veranderde de functie van deze versterkte burchten. Het werden landhuizen voor de adel en wat later voor het patriciaat.

Na de Tachtigjarige Oorlog werden voor dat doel ook speciale buitenplaatsen gebouwd. Soms hadden die nog in hun architectuur herinneringen aan de oude kasteelbouw, zoals torens, kantelen en grachten, maar als verdedigbare huizen waren ze niet bedoeld. Zelfs in de 19de eeuw, onder invloed van de Romantiek, werden nog middeleeuws aandoende kasteeltjes gebouwd.

Motteburchten

Een motte is een – meestal – kunstmatig opgeworpen heuvel die in tijden van belegering kan dienen als een tijdelijke vluchtplaats. Op de motte kan een gebouw staan of alleen een omheining. De hoogten van deze motteburchten kan sterk uiteen lopen, van enkele meters tot 20 meter hoogte.

Motteburchten werden in Noord-Brabant gebouwd vanaf de tijd van de invallen van de Noormannen. Archeologisch onderzoek heeft aanwijzingen opgeleverd voor het bestaan ervan maar concreet materiaal is zeldzaam. Dikwijls zullen motteburchten door erosie onnaspeurbaar zijn verdwenen, vaak ook zijn ze door de bouw van latere burchten op dezelfde locatie vrijwel of geheel onzichtbaar geworden.

De laatste jaren is het bestaan van motteburchten onder meer aangetoond bij onderzoek aan de kastelen van Heusden, Heeswijk en Eindhoven. Daarnaast kan de aanwezigheid van deze burchten soms worden aangetoond of bevestigd aan de hand van oude kaarten, zoals in Almkerk of onderzoek in het landschap. Bij Rosmalen is de vroegere motte Rodenborch tegenwoordig in het landschap zichtbaar.

Woontorens

Woontorens zijn gemetselde bouwwerken die in tijden van spanning bescherming boden aan de bewoners van een vaak bij de torende horende hoeve. Ze werden dikwijls gebouwd door de heer van een gebied en de omvang ervan in het gebied van het huidige Noord-Brabant was beperkt. Door de torens te bouwen in een beekdal of een meander van een beek, werd de veiligheid vergroot. Dikwijls werd bovendien een gracht aangelegd.

Veel woontorens werden op een later moment uitgebouwd tot een meer complete waterburcht. Het Klein Kasteel in Deurne is een voorbeeld van een woontoren die min of meer zijn oorspronkelijke vorm heeft behouden. Het daar tegenover gelegen Groot Kasteel heeft zich ontwikkeld uit een oudere woontoren.

Ronde Waterburchten

Woontorens werden veelal gebouwd op een verhoging of op plaatsen die door de aanwezigheid van een beek of drassige grond een zekere bescherming boden. Wanneer zo’n woontoren, al dan niet uitgebreid met bijgebouwen, werd omringd met een dikke ringmuur, spreken we van een waterburcht. Bij de oudste voorbeelden van dit type was soms nog sprake van een zandheuvel, omringd door een gracht.

Na verloop van tijd werden waterburchten zo aangelegd dat de ringmuur direct door het water werd omsloten. Waterburchten van dit type lagen in Brabant onder meer in Heusden en Wouw.

Vierkante kastelen

Omstreeks 1200 ontstonden op meerdere plaatsen in Europa kastelen op een vierkante of rechthoekige plattegrond. Ronde kastelen hadden het bezwaar dat ze minder mogelijkheden boden voor een efficiënte inpassing van de ruimten en soms onoverzichtelijk werden. Waar mogelijk koos men daarom voor een vierkante of rechthoekige plattegrond, al dan niet met ronde torens op de hoeken. Dit type kasteel kon ook ontstaan uit een woontoren die werd uitgebreid.

Het meest karakteristieke kasteel op een vierkante plattegrond is het type dat bestaat uit vier rechte muren, torens op de vier hoeken en gebouwen binnen de muren. Dit type ontstond in Europa ten tijde van de kruistochten en werd in de 13de eeuw in Nederland overgenomen van voorbeelden in Frankrijk en Engeland. Een vroeg voorbeeld is het bekende Muiderslot waarvan de bouw werd geïnstigeerd door Floris V.

Buitenplaatsen

In de loop van de 15de eeuw werden kastelen in Noord-Brabant geleidelijk aan steeds minder belangrijk als militaire versterkingen. Dat had meerdere oorzaken. In de eerste plaats de groei van de steden die steeds meer macht kregen en ook zelf versterkingen werden. Verder de meer effectieve toepassing van het buskruit waardoor veel kastelen onvoldoende sterk bleken om een doelgerichte aanval te kunnen weerstaan. Ook het langzaamaan verdwijnen van kleine autonome staatjes en heerlijkheden ten gunste van een centraal bestuur dat voor de verdediging van het grondgebied kon beschikken over een leger is een oorzaak van de zich wijzigende rol van de kastelen. Tenslotte gingen in het waterrijke noord-westen van de provincie een aantal kastelen verloren bij de Sint-Elisabethsvloed van 1421.

De gewijzigde omstandigheden betekenden niet dat alle middeleeuwse kastelen meteen verdwenen. Sommige burchten zouden zelfs nog een militaire rol rol spelen in de Tachtigjarige Oorlog. Andere kastelen werden tot buitenhuizen voor de adel of voor vermogende burgers. Die nieuwe bestemming kon betekenen dat de eigenaar er in de loop van de tijd voor koos om de middeleeuwse gebouwen geheel of gedeeltelijk te slopen en te vervangen door gebouwen die beter pasten bij een comfortabele levenswijze. Vooral in de 18de eeuw was dat het geval.

Verder werden nieuwe buitenhuizen gebouwd die qua omvang de allure van een kasteel konden hebben, maar soms ook heel bescheiden bleven. In het laatste geval spreken we van een ‘Slotje’.

Kastelen en de Romantiek

In de 19de eeuw ontstond er een herwaardering van middeleeuwse waarden en vormen. Deze herwaardering hing samen met de Romantiek en manifesteerde zich ook in de kunst en de architectuur. Het leidde onder meer tot de bouw van neogotische kerken, maar ook de middeleeuwse kasteelbouw kende in deze periode een herleving.

Daarbij kan direct worden opgemerkt dat deze herleving alleen betrekking had op de vorm en de toegepaste motieven. Het militaire karakter, getypeerd door dikke zware muren, kwam in de 19de eeuw niet terug.

Voorbeelden in Noord-Brabant van neogotische kastelen zijn het zogenaamde paleis-raadhuis van Tilburg en kasteel Henckenshage in Sint-Oedenrode.

Daarnaast kunnen we hier kasteel Heeswijk vermelden. Heeswijk is weliswaar een middeleeuwse burcht, maar bij de restauratie ervan in 1871 en de daaropvolgende jaren heeft architect Snickers veel nieuwe elementen toegevoegd die weliswaar middeleeuws ogen, maar die met de oorspronkelijke militaire burcht weinig of niets van doen hebben.