Kastelen in Duitsland

Kastelen in Duitsland

1. Slot Neuschwanstein

Slot Neuschwanstein is een van de bekendste en mooiste kastelen van Duitsland en ligt in het dorpje Hohenschwangau in Beieren.  Door veel bezoekers en bloggers wordt het zelfs een sprookjeskasteel genoemd! Het werd in de 19e eeuw gebouwd door Ludwig II. Wegens zijn liefde voor romantiek en het schitterende uitzicht over de bergen is dit kasteel sfeervol en zeker een bezoekje waard. Na de dood van Koning Ludwig II in 1886 werd het kasteel voor publiek geopend.

Meer informatie

2. Kasteel Marksburg 

Langs de oevers van de Rijn, op korte afstand van Koblenz, vind je kasteel Marksburg. Vele kastelen en historische overblijfselen zijn vroeger verwoest en zijn opnieuw opgebouwd, maar Marksburg valt niet in die categorie. Door de omvangrijke verdedigingswallen, tactische ligging op een berg en stevige poortconstructie is dit kasteel in Duitsland nooit noemenswaardig aangevallen, wat betekent dat het nog in (bijna) perfecte staat te bekijken is.

Meer informatie

3. Schloss Mespelbrunn

De ligging toont een romantische uitstraling, zo aan het water van Krebsbach. Dit 600 jaar oude kasteel in Duitsland ligt verstopt in een vallei tussen Frankfurt en Würzburg. Doordat het zo verscholen ligt, is ook dit kasteel vrijwel onaangeraakt gebleven in tijden van oorlog en onrust. De toegewijde eigenaren hebben wel renovaties laten uitvoeren, maar hierbij zijn alle historische details behouden gebleven.

Meer informatie

4. Burcht Eltz

Het is net een sprookje, de omgeving van Burcht Eltz. Met liefde wordt deze burcht al 850 jaar door dezelfde familie onderhouden en dat beloont: jij kunt dit schitterende kasteel met gemak bezoeken. De historische bezienswaardigheid is vooral bekend wegens de unieke architectuur: het heeft vele hoge torens, erkers en puntdaken, zoals een kasteel hoort te zijn! Ook zijn de kamers nog te bekijken met authentieke inrichting. Als kers op de taart bewaart Burcht Eltz een van de waardevolste wapen- en schatkamers van Europa. Die wil je dus niet missen! En deze past perfect in het plaatje “kastelen Duitsland dichtbij Nederland”.

Meer informatie

5. Burcht Cochem

Halverwege vinden we de grootste bergburcht in de regio, gelegen in Cochem. Hier beleef je de Middeleeuwen pas echt, dankzij het aanbod van burchtfeesten, riddermaaltijden, kerstfeesten en nog vele andere authentieke evenementen. Door de eeuwen heen is de burcht in de brand gestoken, ondermijnd en ontploft, waardoor je diverse bouwstijlen terug ziet in dit kasteel in Duitsland, zoals de neo-renaissancestijl, gotisch en romaans: bijzonder!

Meer informatie

6. Kloster Bentlage

In het Münsterland vind je de 100 Schlösser route. En nu denk je misschien, 100 kastelen op 1 route. Ja, het kan echt. Deze route is dan ook wel 1000km lang en ga je echt niet in een weekendje fietsen, maar je kunt zoveel prachtige kiekjes bekijken op deze route. Zo is Kloster Bentlage hier 1 van. Hoort het bij de mooiste kastelen van Duitsland? Zou kunnen. Dit kasteel ligt op ideale afstand van de Nederlandse grens en mensen waarderen het voor een dagje uit.

Meer informatie

7. Schloss Nordkirchen

Dit kasteel in Duitsland behoort zeker tot de mooiste kastelen in Duitsland. Wat een plaatje is dit. Zoals je verwacht van een Duits kasteel. Een sierlijke tuin, prachtige slotgracht en tot slot een statig pand. Schloss Nordkirchen ligt vlak bij Münster (half uurtje rijden) en heeft als bijnaam ook wel “Het Versailles van Westfalen”.

Meer informatie

8. Kasteel Münster

Een stedentrip combineren met een bezoekje aan een kasteel in Duitsland. Dat klinkt super leuk toch. Kasteel Münster is daar perfect geschikt voor, ze noemen het ook wel een stadskasteel. Leuk om te bezoeken is de jaarmarkt die 3x per jaar op het Schlossplatz wordt gehouden. De kasteeltuinen zijn gratis te bezoeken en zijn op een warme zomerdag dan een fijne plek om te genieten van zon maar ook schaduw.

Meer informatie

9. Schweriner Schloss / Kasteel van Schwerin

Ook in het noorden van Duitsland vind je prachtige kastelen. Zo heb je daar het Kasteel van Schwerin. Het kasteel staat op een eiland en zou alleen daarom al zo in een fotolijstje passen. Het perfecte plaatje schiet je hier zeker. En wil je een sprookjeskasteel zien, ga dan met zonsopgang of zonsondergang, want dan is het helemaal geweldig om te zien. Je kunt het kasteel ook bezoeken en van binnen vinden mensen het ook prachtig. Je kunt er ook een hapje eten en door de tuinen dwalen.

Meer informatie

10. Schloss Heidelberg

Last but not least staat op de top 10 kastelen van Duitsland lijst dit kasteel: Schloss Heidelberg. De stad Heidelberg is een heuse universiteitenstad maar staat op het lijstje van meest romantische steden. En dat is uiteraard niet voor niets. Samen met je partner hiernaar toe is gewoon super tof. De stad ligt op een prachtige locatie en met het kasteel Schloss Heidelberg als bezoekje, kan de vakantie niet meer stuk. Het kasteel ligt op een heuvel aan het Neckardal. Het is van rood zandsteen en de geschiedenis gaat ver terug naar het jaar 1225 waar het kasteel voor het eerst genoemd werd. Niet veel later werd het een van de meest mooiste kasteelcomplexen van Duitsland.

Meer informatie

Kastelen in Frankrijk

Kastelen in Frankrijk

1. Château de Versailles

Op een lijst van mooiste kastelen in Frankrijk mag het overdadige Château de Versailles niet ontbreken. Ooit was dit de hoofdwoning van de Franse koningen, tegenwoordig is het na de Eiffeltoren de meest bezochte toeristische plek van het land. Vergeet ook zeker de indrukwekkende tuinen rondom het kasteel niet, waar je met gemak een dag kunt doorbrengen, en dan nog lang niet alles gezien hebt.

Meer informatie

2. Château de Chambord

Het 16e-eeuwse kasteel Chambord werd gebouwd als jachtkasteel door koning François de Eerste, en telt 440 kamers, 365 torens en 1036 ramen. Het is nooit permanent bewoond geweest, en kwam ook gehavend uit de Franse Revolutie. Een bijzonderheid verder is dat het kasteel tijdens de Tweede Wereldoorlog diende als opslagplaats voor de kunstschatten van het Louvre.

Meer informatie

3. Château de Chantilly

Wist je dat slagroom in Frankrijk zijn naam waarschijnlijk dankt aan een kasteel? In Frankrijk noemen ze slagroom ‘chantilly’, en dat schijnt ooit te zijn bedoeld als verwijzing naar de goede keuken van het kasteel van Chantilly, in Picardië. Het huidige kasteel vindt zijn oorsprong in een middeleeuws kasteel. Delen van het Château de Chantilly zijn nog oud, uit de 16e eeuw, maar het grote Château Neuf is een 19e-eeuwse reconstructie van het kasteel dat tijdens de Revolutie verwoest werd.

Meer informatie

4. Château de Chenonceau

Het kasteel van Chenonceau is een van de meest bezienswaardige kastelen in de Loirestreek, vooral dankzij de bijzondere ligging aan het water en de rijke geschiedenis. Verschillende belangrijke vrouwen hebben in de loop der tijd in het kasteel gewoond.

Meer informatie

5. Château d’Amboise

Het 15e-eeuwse kasteel van Amboise kijkt mooi uit over de Loire en vormt qua bouwstijl een brug tussen de gotiek en de renaissance-stijl. Een van de grootste publiekstrekkers is daarnaast het feit dat Leonardo da Vinci in de kapel bij het kasteel begraven ligt, hij bracht hier de laatste jaren van zijn leven door en zou volgens de legende in de armen van koning François de Eerste zijn overleden.

Meer informatie

6. Château d’Ussé

Zoals zoveel kastelen kent ook het Château d’Ussé een lange geschiedenis. Al in de 11e eeuw werd er op deze plek een kasteel gebouwd. In de 15e eeuw verrees het kasteel in zijn huidige vorm. Vervolgens ging het verscheidene keren in andere handen over. En ook aan dit kasteel is een bijzonder verhaal verbonden: het zou het kasteel zijn waarop Charles Perrault zich baseerde bij het schrijven van zijn sprookje Doornroosje.

Meer informatie

7. Château de Queribus

De kastelen hierboven in het lijstje zijn over het algemeen nog in goede staat, en niet bedoeld als verdedigingswerk – wat toch de oorspronkelijke functie van kastelen was -, maar er zijn in Frankrijk ook veel oudere kastelen, vaak deels of helemaal ruïnes, die desondanks ook heel bijzonder zijn. Een daarvan is het Château de Queribus, een katharenkasteel in Zuid-Frankrijk. Het kasteel lag op een strategisch belangrijke plek, bij de grens van Spanje, maar werd vooral bekend als een van de laatste vestingen van de Katharen, voordat die religie uitgeroeid zou worden.

Meer informatie

8. Château de Fougères

Het kasteel van Fougères in Bretagne is een van de belangrijkste middeleeuwse kastelen van Frankrijk. Het is bovendien nog in vrij goede staat, en zeker een bezoek waard. Het kasteel dateert uit de 12e tot de 15e eeuw en verwelkomde in de loop der tijd verschillende bekende namen.

Meer informatie 

9. Château de Tarascon

In het jaar 1400 liet Louis II d’Anjou een kasteel bouwen aan de oever van de Rhône, naar het voorbeeld van de Bastille in Parijs. Een groot deel van de eeuwen daarna was het kasteel in gebruik als militaire gevangenis.

Meer informatie

10. Château de Pierrefonds

Het originele kasteel van Pierrefonds dateert uit de 15e eeuw. Maar twee eeuwen later was het grotendeels verwoest door de troepen van toenmalig staatssecretaris van oorlog Richelieu. Aan het begin van de 19e eeuw kocht Napoleon het voor een schijntje, en zijn neef, keizer Napoleon III, liet het door de beroemde architect Viollet-le-Duc volledig restaureren. Daarbij koos de architect voor een mengeling van eigen inspiratie en hoe de situatie ooit was. Dat leverde een bijzondere stijl op, en maakt dat dit kasteel ook een plekje op de lijst met mooiste kastelen van Frankrijk verdient.

Meer informatie

Overzicht kastelen in Nederland

Overzicht van Nederlandse kastelen, voor uitstapjes en leuke dagtips

De mooiste kastelen in Nederland, die u kunt bezoeken.

Kaststelen om met het gezin, of met je partner te bezoeken, prentkaarten, kasteel typen, populaire kastelen, algemene informatie over kastelen. Buitenplaatsen, slot, hoog en laagburchten, woontorens,waterkasten, donjons, motte, romantische of militaritische
kastelen per provincie.
Kastelen met een restaurant, kastelen om in te trouwen, kasteelkunde, kasteelboeken, kasteelbier, wandelen op het landgoed van kasten. Kastelen die te koop zijn. Kastelen van de 12e eeuw tot en met 15e eeuw, de Jonkheren en kasteelheren, adel en kastelen zijn prachtig om mee te maken. De fraaie historie van de Nederlandse en Buitenlandse kastelen. De dag van het kasteel. Kortom alles wat met kastelen te maken heeft.

Overzicht van kastelen van Nederland, kies de provincie aan de hand van de volgende provincies:

Overzicht van kastelen van Nederland

Brabant

Drenthe

Flevoland

Friesland

Gelderland

Groningen

Limburg

Noord-Holland

Overijssel

Utrecht

Zeeland

Zuid-Holland

 

 

Zuid-Holland

Kastelen in Zuid-Holland

Kastelen in Zuid Holland

Het woord kasteel komt van het Latijnse woord castelum, dat zoveel betekent als: kleine (Romeinse) legerplaats. In de middeleeuwen werden namen als borch, veste en starke gebruikt, om gebouwen aan te geven die wij nu kasteel noemen. De definitie van kasteel is: een versterkte middeleeuwse residentie van een in omvang beperkte groep mensen. Deze groep mensen stond in een afhankelijkheidsrelatie tot een persoon of instelling. De bewoners behoorden tot de adel of waren bestuursambtenaren die het kasteel beheerden in opdracht van de graaf of kerkelijke instelling. Een kasteel werd gebouwd en gebruikt in de periode vanaf  900 tot het 3e kwart van de 16de eeuw. Afhankelijk van de wensen en financiële middelen van de bouwheer kreeg het kasteel een puur defensief karakter, een overwegend luxe woninginrichting, of iets daar tussenin. In de loop der tijd kwam het accent steeds meer op het wooncomfort te liggen en werd verschil met buitenplaats steeds kleiner.

Ringwalburchten (circa 875-1100)
De oudste kasteelvormen langs de Hollandse en Zeeuwse kust zijn de ringwalburchten. Ringwalburgen zijn ronde verdedigingswerken, opgebouwd uit kleiplaggen, zand en hout in diameter variërend van 144 tot 265 m. De ringwalburgen ontstonden in de 9e en 10e eeuw door de invallen van de Noren en de Vikingen. Je vindt deze burchten dan ook langs de hele kust van noord-west Europa . In Nederland zijn deze vooral geconcentreerd in Zeeland, op de Veluwe en in de Achterhoek. Een voorbeeld van zo’n ringwalburg is te vinden in Burgh op Schouwen in Zeeland. In Zeeland waren er 5 mogelijk 6 ringwalburgen. Op de Veluwe kennen we er ook twee: De Duno en de Hunnenschans. Deze burgen zijn eigenlijk geen kastelen, zij werden namelijk niet permanent bewoond. Het waren toevluchtsoorden in tijden van oorlog. Het worden dan ook wel communale versterkingen genoemd. Deze ringwalburgen behoorden tot het centrale gezag.

Grafelijke residenties
Sinds 895 had de Hollandse graaf Dirk II de keizerlijke goederen tussen de rivieren de IJssel en de Lier in bezit gekregen en waren allerlei Koninklijke rechten aan hem overgedragen, waaronder het recht om versterkingen te bouwen. In die periode had de graaf van Holland nog geen vaste residentie, maar reisde met zijn gevolg door zijn territorium. Uit de 12de en 13de eeuw zijn er plaatsen bekend die de graaf als min of meer vaste woonplaats hebben gediend. Het Binnenhof te Den Haag was er daar een van. Het groeide later uit tot de vaste residentie van de graaf.

Mottekastelen (1000-circa 1270)
Dit type kasteel komt in Europa vanaf de 11de eeuw voor. Het is een kunstmatige heuvel (motte) met een regelmatige vorm en steile zijden die gewoonlijk door een natte of droge gracht wordt omgeven. Op de afgeplatte top van de heuvel staat een versterking, aanvankelijk een houten toren omgeven door een houten palissade. De houten opbouw op de mottes werden later vervangen door torens van natuur- of baksteen, met of zonder een ringmuur. In Zuid-Holland hebben ten minste 22 mottekastelen gelegen. Voorbeelden van grote mottekastelen in Zuid-Holland zijn de Leidse burcht en de burcht van Oostvoorne.

Ronde, ovale en veelhoekige kastelen
Aan het einde van de 12de eeuw werd het dure natuursteen als bouwmateriaal vervangen door het goedkopere baksteen. Dit maakte het betaalbaar om grotere kastelen te bouwen met ruimere woonvertrekken. Nadeel was dat deze zware constructies moeilijk konden worden gebouwd op een opgeworpen heuvel.

Bij de hoge adel werden vanaf het begin van de 13de eeuw de mottekastelen getransformeerd in een nieuw type kasteel dat nog wel de ronde vorm met de mottekastelen gemeen had. Het ronde kasteel evolueerde in de loop van de tweede helft van de 13de eeuw in een veelhoekig kasteel, wat tot voordeel had dat de flanken beter konden worden verdedigd. Tegen de binnenzijde van de ringmuur kon een royaal woongebouw worden opgetrokken. Voorbeelden van dergelijke kastelen in Zuid-Holland zijn Teylingen in Voorhout, Oud Teylingen in Warmond, Ter Does in Leiderdorp en mogelijk Groot Poelgeest bij Koudekerk aan den Rijn.

Vierhoekige kastelen
Het vierhoekige kasteeltype komt voor vanaf ongeveer 1275. Het heeft in zijn zuiverste vorm een rechthoekige plattegrond met op elke hoek een uitspringende toren ter verdediging van de flanken. De woongebouwen waren in de regel tegen de binnenzijde van de ommuring gebouwd, meestal tegenover de ingang. Het oudste rechthoekige kasteel in Zuid-Holland is het Huis te Riviere te Schiedam dat tussen 1268 en 1275 werd gebouwd. Andere kastelen in Zuid-Holland die volgens het principe van het vierkante kasteel werden gebouwd waren het kasteel van Gouda (1361-1384) en Huis te Merwede bij Dordrecht(14de eeuw).

Woontorens, zaaltorens en compacte zaaltorenkastelen
De simpele woontoren is voor de lage adel de opvolger van het kleine mottekasteel. In tegenstelling tot een mottekasteel, staat de woontoren of donjon niet meer op een heuvel, maar op een eiland omgeven door een gracht. De toren werd – zeker na 1200 – gebouwd uit bakstenen. Soms bleef het kasteel beperkt tot de woontoren. De gebruikelijke vorm van de woontoren is vierkant of rechthoekig. Huis Dever te Lisse wijkt met zijn D-vormige plattegrond hiervan af.

In enkele gevallen werd bij de bouw van de woontoren al geanticipeerd op uitbreiding. Het eiland waarop de woontoren werd gebouwd, is dan aanzienlijk groter dan de woontoren zelf. De donjon werd dan niet in het midden van het eiland geplaatst, maar op een van de hoeken, zodat er volop ruimte overbleef om gebouwen toe te voegen. Een voorbeeld van een dergelijke bouwvorm is het Huis te Warmond (1362 of eerder).

Indien de woontoren meer dan een vertrek per verdieping had, wordt gesproken van een zaaltoren. Een voorbeeld  hiervan is kasteel Heenvliet. Dit bestond sinds 1260 uit een rechthoekige zaal. Op de hoeken van de zaal stonden ronde hoektorens. In de 14de eeuw werd de gracht aan een zijde uitgelegd en werden er vleugels rond een binnenplein tegen de toren aangebouwd, waardoor een zogeheten compact zaaltorenkasteel ontstond. Dit is het compromis tussen het rechthoekige kasteel dat de hoge adel en de landsheren zich konden permitteren en de simpele woontoren van de lage adel.

Omgrachte adellijke huizen
De overgang van de verdedigbare kastelen naar de niet meer reëel verdedigbare omgrachte woningen van edelen was een geleidelijke. De edelen gingen door met het bouwen van omgrachte huizen en het aanbrengen van elementen waar de kastelen hun verdedigbaarheid aan te danken hadden gehad, maar vanuit militair-defensief oogpunt stelde het weinig meer voor. Elementen als arkeltorens, weermuren, hoektorens en dergelijke werden als statusverhogend beschouwd en nog slechts als versieringsornamenten aangebracht, waardoor het uiterlijk van de omgrachte huizen een gelijkenis ging vertonen met de echte kastelen uit de 13de en 14de eeuw. Bovendien begon men op bouwkosten te besparen door de muren minder dik uit te voeren. ‘Kastelen’ met deze kenmerken worden wel coulissenkastelen genoemd.

Historische landgoederen en buitenplaatsen

Een historisch buitenplaats is een eenheid van een historisch landhuis (soms een kasteel) met bijgebouwen, waterpartijen, tuin en park. Soms vormt een buitenplaats de kern van een uitgestrekt landgoed. Met de term buitenplaats worden in het algemeen die complexen van huis en omgeving aangeduid die vooral vanaf de 16de eeuw tot stand kwamen en waarbij het huis speciaal voor de genoegens van het landleven was bestemd. Daarnaast kan het begrip ook slaan op oudere objecten, zoals middeleeuwse kastelen, die in later tijd de functie van buitenplaats kregen en hun defensieve karakter verloren.

Bij het functioneren vervulden nutsaspecten van een buitenplaats een grote rol. Verreweg de meeste buitenplaatsen hadden een agrarische en soms een industriële bedrijfsvoering als achtergrond. De stichting van een buitenplaats betekende voor de eigenaar niet alleen het creëren van de mogelijkheid van de rust en de landelijke omgeving te genieten en als statussymbool, maar tevens om het beheer te voeren over de aan de buitenplaats verbonden agrarische of industriële bedrijvigheid.

Oorsprong en ontwikkeling

De buitenplaats in Zuid-Holland is een fenomeen dat sterk met de tijd en een bepaalde bevolkingsgroep is verbonden. Vooral de burgerlijke elite, die vanaf circa 1600 een steeds belangrijkere financiële en bestuurlijke macht werd, trad als opdrachtgever voor de aanleg van buitenplaatsen op. In de 17de en 18de eeuw werd voor buitenplaats ook wel de term hofstede gebruikt. De term hofstede kan in brede zin worden opgevat als aanduiding van een agrarische beheerseenheid, dat wil zeggen een kasteel of woning van een edelman met omliggende landerijen (de ridderhofstad), ofwel een herenboerderij en/of plattelandsresidentie. Deze agrarische oorsprong van de buitenplaats (al dan niet voortkomend uit de feodale context van de middeleeuwse adellijke (ridder)hofstede) gaat voor het merendeel van de Zuid-Hollandse buitenplaatsen op. Een klein aantal buitenplaatsen kent in plaats van een agrarische een min of meer industriële achtergrond. Ook het aantal buitenplaatsen dat uitsluitend als buitenplaats is aangelegd, is klein.

Verreweg de meeste buitenplaatsen in Zuid-Holland hadden een hoeve, een agrarisch bedrijf, als historisch uitgangspunt. De aankoop van grond was een betrekkelijk veilige manier om kapitaal te beleggen en ook de opbrengst van het boerenbedrijf was niet onbelangrijk.

Niet alleen voorzag de boerderij de eigenaar in zijn behoefte aan allerlei landbouwproducten. Daarnaast diende de boer die de boerderij voor de eigenaar beheerde, pacht te betalen en verrichtte hij allerlei hand- en spandiensten. Naast deze economische aspecten speelden statusmotieven een belangrijke rol.

Had de eigenaar de economische wind in de rug, dan kon hij één of soms meer van zijn bezittingen uitbouwen tot buitenplaats. Meestal gebeurde dit op een ten opzichte van zijn vaste woonplaats gunstig gelegen locatie aan een belangrijke (water)weg. Aanvankelijk bestond de uitbreiding uit niet meer dan de toevoeging aan de boerderij van een wat rijker uitgevoerde vleugel (herenkamer). Sommige complexen kregen een recreatieve en representatieve functie. Bij voldoende financiële middelen kon de herenkamer uitgroeien tot een al dan niet met de oorspronkelijke hoeve verbonden herenhuis.

Vooral in de 18de eeuw maar ook al eerder, werd de fysieke koppeling tussen hoeve en herenhuis niet langer op prijs gesteld. Op bestaande buitenplaatsen werd een deel van het terrein afgezonderd ten behoeve van een vrijstaand herenhuis met omliggend park of de boerderij werd afgebroken en naar een andere plek op het terrein verplaatst, waarna op de oude plaats op grotere schaal een nieuw herenhuis werd gebouwd. In de directe nabijheid van de herenhuizen verrezen vervolgens bijgebouwen zoals koepel, tuinmanswoning, koetshuis met stalling en oranjerie.

Het park met bebouwing, de feitelijke buitenplaats, besloeg meestal maar een deel van het totale oppervlak van het goed. De productiegronden bleven belangrijk en waren in de regel ook uitgestrekter.

Feodale achtergrond

Slechts weinig buitenplaatsen in Zuid-Holland hebben een riddermatige achtergrond. Holland ontwikkelde zich in de loop van de 15de en 16de eeuw en vooral na de Opstand tot een burgermaatschappij. Het burgerlijke patriciaat had zich, mede door de bloeiende handel en nijverheid in deze periode, weten te emanciperen. De invloed van de Hollandse adel nam in de late 16de en 17de eeuw juist sterk af. Het platteland – de bestaansbasis van de adel – was getroffen door de Opstand en de latere landbouwcrises. Daarnaast zag de veelal katholiek gebleven adel zich geconfronteerd met een staatsbestel waarin uitsluitend plaats was voor hervormden. Omdat adelsverheffingen onder de republiek in de 17de eeuw niet voorkwamen, kon de Hollandse adel niet anders dan geleidelijk uitsterven.

Tal van heerlijkheden en andere feodale terreinen kwamen in de loop van de tijd dan ook in handen van gefortuneerde niet-adellijke regenten en burgers, die voor hun inkomsten niet van het platteland afhankelijk waren. Toch was het vooral voor lieden met topposities van het landsbestuur, katholieken en mensen die anderszins waren uitgesloten van deelname aan het bestuurlijke leven, aantrekkelijk om ‘heer van’ aan hun naam te kunnen toevoegen.

Overigens waren lang niet alle adellijke bezittingen ambachten of heerlijkheden met daaraan verbonden (heerlijke) rechten. In sommige gevallen waren de rechten die verbonden waren aan het bezit beperkt tot de zogeheten zwanendrift (het recht om een koppel broedende zwanen te houden), of jacht- en visrechten. Toch konden dergelijke complexen worden uitgebreid tot pseudo-heerlijkheid, compleet met kasteel (Huis te Schelluinen, Berendrecht te Alphen aan den Rijn).

Het was maar een kleine groep (de crème de la crème van de regentenklasse) die zich de prestigieuze weelde van een echte heerlijkheid kon permitteren. Bovendien was het aantal ten opzichte van de stadsresidentie gunstig gelegen ambachten en heerlijkheden beperkt. Een voorbeeld van zo’n gunstig gelegen hoge heerlijkheid is De Tempel in Overschie nabij Rotterdam. Men stichtte de buitenplaats toch bij voorkeur op een plaats die vanuit de permanente residentie goed bereikbaar was.

Al met al waren er in Zuid-Holland betrekkelijk weinig adellijke bezittingen die tot buitenplaats werden omgevormd. De belangrijkste buitenplaatsen met een middeleeuws-feodale achtergrond die tot op de dag van vandaag als buitenplaats geheel of gedeeltelijk zijn blijven voortbestaan, zijn van noord naar zuid: Hof te Hillegom, Huis te Warmond, Oud Poelgeest en Endegeest te Oegstgeest, Ter Horst en Duivenvoorde te Voorschoten, Zuidwijck en Raaphorst te Wassenaar, Binckhorst te Den Haag, De Werve te Voorburg, Te Werve en Den Burgh in Rijswijk, het Kasteel van Rhoon, Heenvliet, Abbenbroek, ’t Hof van Assendelft te Heinenoord en ’t Hof van Moerkerken te Mijnsheerenland.

Nijverheidbuitenplaatsen

Een aantal Zuid-Hollandse buitenplaatsen had een min of meer industriële achtergrond. Op de oevers van de Rijn bevonden zich – vanwege de kleibanken aldaar –buitens waaraan steenbakkerijen waren verbonden (bijvoorbeeld Rust en Werk (Avifauna) te Alphen). Soms betrof het nijverheid die moeilijk in de stad was te bedrijven, omdat er milieutechnische bezwaren waren of omdat men veel ruimte nodig had. Zo was op de ’s Gravenhof te Kralingen in de 18de eeuw de katoendrukkerij ‘Non plus ultra’ gevestigd. De buitenplaats bood deze industrie ruime aanvoer van water en voldoende ruimte voor droogweiden e.d. Op de buitenplaats ‘In de Wereldt is veel Gevaer’ te Voorburg werd in de 18de eeuw een leerlooierij gevestigd, een bedrijfstak die vanwege de toenmalige milieuwetgeving niet in de stad was toegestaan.

Gesticht als buitenplaats

Buitenplaatsen die uitsluitend als buitenplaats werden aangelegd komen weinig voor. De economische functie is vrijwel altijd aanwezig.

Een uitzondering en daarbij één van de bekendste buitenplaatsen in Zuid-Holland is Hofwijck te Voorburg. Het buiten van Constantijn Huygens werd op de eerste plaats voor recreatieve doeleinden gebouwd.

Een andere uitzondering vormt een aantal moderne buitenplaatsen in de omgeving van Oostvoorne, zoals Het Reigersnest, Olaertsduijn en Strypemonde. Deze dienden uitsluitend als weekend- en zomerresidentie. Wel hadden de eigenaren hun buitenplaatsen juist in de kuststreek van Voorne aangelegd, om de natuur van toeristische uitbreidingen te vrijwaren.

Geografische spreiding

Het overgrote deel van de buitenplaatsen in Zuid-Holland bevindt zich in het uiterste westen van de provincie. Dit hangt samen met de aanwezigheid van strandwallen en het binnenduingebied. Deze van het noorden naar het zuiden lopende, sinds de laatste ijstijd (einde 10.000 v.Chr.) onder invloed van zee en wind afgezette zandruggen, lagen ten opzichte van de omliggende veen- en weidegebieden wat hoger en vormden zo langgerekte, vrij smalle stroken relatief droge grond. Het waren daarom van oudsher favoriete vestigingsplaatsen.

Aan en gedeeltelijk op de strandwallen werden in de Middeleeuwen kastelen gebouwd. Ook de meeste oude bewoningskernen in Zuid-Holland liggen op de strandwallen. Niet alleen de bewoningskernen, maar ook het wegennet was van oudsher volledig op de droge strandwallen georiënteerd. Aan de voet van de strandwallen en in de lager gelegen, venige strandvlaktes tussen de strandwallen waren wateringen aangelegd. Deze waren in eerste instantie gegraven ter afwatering van het gebied, maar groeide later uit tot belangrijke transportwegen, zoals bijvoorbeeld de Vliet.

Vanuit Leiden en Den Haag waren de op de strandwallen liggende dorpen gemakkelijk te bereiken en het is dan ook niet vreemd dat langs de transportroutes in de loop van de 17de en 18de eeuw talrijke buitens werden gesticht. Zo bepaalden linten van buitenplaatsen het aanzien van dit deel van het Zuid-Hollandse landschap.

In het zuiden van Zuid-Holland ontbreken de strandwallen, maar is er sprake van een jonger duinlandschap. Ook het westelijke uiteinde van het land van Voorne is dus wat hoger gelegen, wat aanleiding was voor het vestigen van buitenplaatsen aldaar.

Andere favoriete plaatsen voor de vestiging van buitenplaatsen waren de oeverwallen langs de rivieren. Deze oeverwallen waren ontstaan doordat de rivieren onder invloed van de seizoenen op gezette tijden buiten hun oevers traden en dan telkens een laagje klei afzetten. Deze sedimenten lagen ten opzichte van de veengebieden in de regel wat hoger.

Door de aanwezigheid van oeverwallen werden op de oevers van de Rijn tussen Leiden en Alphen talrijke buitens gevestigd. Alleen in Alphen waren er rond 1900 al 46. Van deze concentratie is helaas maar weinig overgebleven. In Leiden zijn Rhijnhof en Buitenzorg voorbeelden van op stroomruggen gelegen buitens. Ook langs andere rivieren zijn concentraties aan te wijzen. In Rotterdam bevond zich reeds in de 18de eeuw een aanzienlijke hoeveelheid buitens langs de Nieuwe Maas. Dijkzicht, De Heuvel en Schoonoord zijn hier restanten van. Op plaatsen waar geen duinruggen en strandwallen of stroomruggen waren, maakte men gebruik van andere natuurlijke verhogingen in het landschap, zoals donken, in de ijstijd door wind opgestoven duinen, zoals bijvoorbeeld Huys ten Donck.

Tuin- en parkaanleg

In de Middeleeuwen waren de meeste tuinen rond kastelen min of meer utilitair van karakter. De opbrengst van productiegronden was immers een belangrijke inkomstenbron van de eigenaar. Sieraanleg kwam, voor zover bekend, weinig voor. De verschillende terreinen, weiden, bos, boomgaarden en moestuinen waren op doelmatige wijze rond het huis aangelegd (bijv. Huis te Warmond).

Formele stijl

Al in de 16de eeuw worden tegelijkertijd met de veranderingen in de architectuur van huizen op het platteland de omliggende terreinen steeds meer bij de vernieuwing betrokken. Hoewel geen van dergelijke tuininrichtingen bewaard is gebleven, is de ontwikkeling waar te nemen op kaarten van bijvoorbeeld Jacob van Deventer van rond 1560. Rondom verscheidene kastelen geeft hij het grondplan van een geometrische aanleg weer die samenhangt met de ligging van het huis.

In overeenstemming met de ontwikkelingen in de 17de-eeuwse architectuur werden de tuinen evenwichtiger van opbouw en werd gepoogd de diverse onderdelen waaruit de tuinaanleg was samengesteld, ondergeschikt te maken aan een compositorisch plan. Aan deze aldus ontstane classicistische tuinstijl lagen diverse invloeden ten grondslag, waardoor deze tuinstijl de nodige gezichten heeft gekend.

Van verschillende buitenplaatsen is bekend dat zij in het tijdvak tussen 1620 en 1680 een classicistische tuinaanleg kregen (Duivenvoorde te Voorschoten, Zorgvliet en Ockenburgh te Den Haag en Keukenhof te Lisse). Op enkele rudimenten in de vorm van lanen en waterpartijen na is van deze classicistische tuininrichtingen niets bewaard gebleven.

Landschapsstijl

In de loop van de 18de eeuw raakte men uitgekeken op de stijve, geometrische tuinen met hun geschoren hagen, hun rechte lanen en hun symmetrische opzet waarbinnen alles zijn logische plaats had. Men ervoer die stijl steeds meer als ouderwets en onnatuurlijk, terwijl de overladen decoratie van bosketten en compartimenten als gekunsteld werd beschouwd. Dit was niet de manier waarop men de natuur moest beleven: men zocht een nieuwe weg waarop de natuur de kunst de hand kon reiken en omgekeerd.

Het was een heel ander landschap dat nu werd nagestreefd en dat tot in onze tijd het beeld van talloze buitenplaatsen zou gaan bepalen: grazige weiden, omzoomd door golvende bosranden vervingen de vierkante, rechthoekige, ronde of ovale kabinetten in de bosketten van de oude geometrische tuinen. In plaats van de met passer en meetlat uitgezette vijvers in allerlei vormen legde men nu waterpartijen met een grillig oeververloop aan. Deze werden gevoed door slingerende beekjes. De grond die bij het uitgraven van de vijver was vrijgekomen, gebruikte men om heuvels op te werpen. Zeker in het westen, waar parken en tuinen op het vlakke land werden aangelegd, betekende dit een hele ingreep. Wanneer de buitenplaatsen langs de binnenduinrand lagen, liet men zich bij voorkeur leiden door de aard van het terrein.

De nieuwe ideeën werden voor het eerst in Engeland toegepast, in de jaren rond 1720. Er werden niet alleen klassieke bouwwerken in parken opgericht. Ook verwijzingen naar andere tijden en verre landen werden in de tuinen verwerkt, zoals ruïnes van middeleeuwse kastelen, Chinese paviljoens en Turkse tenten. Het pittoreske karakter van dergelijke tuinen werd onderstreept door het gebruik van verschillende soorten bomen, die soms in groepjes en soms solitair waren geplant. Ook qua vorm en kleur van de beplanting werd dit nagestreefd. In deze tijd kwamen de rode beuk, de Italiaanse populier – een substituut voor de zuidelijke cipres – de treurwilg en allerlei soorten naaldbomen in de mode.

De eerste parken in landschapsstijl in ons land waren bescheiden. Het park van Huis ten Donck was één van de eerste parken die – vanaf 1765 – in landschappelijke trant werd omgevormd. Van de tuinarchitecten heeft vooral de familie Zocher zijn sporen nagelaten, zo ook in Zuid-Holland. In de 19de eeuw kwam de landschapsstijl tot volle bloei. In Zuid-Holland werden vrijwel alle buitenplaatsen tussen circa 1780 en 1850 volledig op de schop genomen, hoewel er geregeld rekening werd gehouden met bestaande formele structuren. Vaak zijn die parken, voor zover niet aangetast door de oprukkende verstedelijking, tegenwoordig volgroeid en bieden zijn nu het beeld dat eigenaar en architect voor ogen hadden.

Rond 1870 ontstond in de tuinaanleg weer behoefte aan beslotenheid en geometrische structuren, vooral dicht bij het huis. Zo werd opnieuw de eenheid van huis en tuin benadrukt. Bij een aantal buitenplaatsen werden tuinen met buxus- en taxushagen aangelegd, geïnspireerd op de classicistische, geometrische tuinkunst. Exponenten van deze stijl waren de tuinarchitecten H. Copijn (1842-1923) en L.A. Springer (1855-1940). Van hem werden op diverse plaatsen ontwerpen in gemengde stijl uitgevoerd.

Architectuur

De bouwkunst in de 16de en de vroege 17de eeuw werd gedomineerd door een wildgroei aan decoratieve vormen. In de 17de eeuw ontstond behoefte aan een sobere en strakke architectuur die meer in overeenstemming was met de idealen van de klassieke bouwkunst. De Tien boeken over architectuur van de Romeinse bouwmeester Vitruvius (1ste eeuw v.Chr.) en de daarop gebaseerde architectuurtraktaten van 16de-eeuwse Italiaanse architecten als Alberti, Vignola, Palladio en Scamozzi, vonden gretig aftrek en werden in ons land uitgegeven. Onder invloed hiervan ontstond de bouwtrant die men later het Hollands Classicisme is gaan noemen. Overigens was er ook aanzienlijke invloed vanuit Frankrijk.

Men streefde naar een rustige monumentaliteit, waarbij de verhoudingen in de architectuur meer spreken dan de details (Hofwijck, Meerzicht, Zorgvliet, Clingendael, Oud Poelgeest, Berbice en Oostergeest).

In grote lijnen zouden deze classicistische principes het beeld van de Nederlandse landhuizen tot ver in de 19de eeuw bepalen. In Zuid-Holland zijn de meeste landhuizen dan ook eenvoudige, min of meer blokvormige gebouwen, voorzien van een souterrain met daarboven één of twee bouwlagen. De regelmatig ingedeelde voorgevel is in de regel vijf tot negen traveeën breed, waarbij de vensters aan weerszijden van een centraal gelegen entreepartij in de gevel zijn ondergebracht. De middenas van het huis kon worden benadrukt door een risaliet, eventueel met een fronton bekroond, of door een koepelvormige uitbouw (Berbice te Voorschoten, Rhijnhof bij Leiden). De bedaking wordt gevormd door één of meer schilddaken, afhankelijk van het aantal beuken waarin het huis is onderverdeeld, of, later door een omlopend schilddak met plat.

Op deze basisvorm werd op talrijke manieren gevarieerd. Sommige huizen bezaten een monumentale en vaak hogere middenpartij tussen lagere zijvleugels (Rijksdorp bij Wassenaar) of bestonden uit drie rond een cour gerangschikte vleugels (Huis te Warmond). Al met al zijn symmetrie en betrekkelijke eenvoud de belangrijkste eigenschappen van de Zuid-Hollandse landhuisarchitectuur.

De detaillering van het gebouw was sterk afhankelijk van de heersende mode. De detaillering van 18de-eeuwse huizen sloot aan bij de ‘internationale’ Lodewijkstijlen (Lodewijk-XIV en XV-stijl). Huizen uit deze periode hebben vaak lijstgevels, bij rijkere huizen in combinatie met attiek en mezzanino en schuifvensters met roedeverdeling. Ter verfraaiing werden de gevels geregeld uitgevoerd met een geheel of gedeeltelijke bekleding in natuursteen, geblokte pilasters en een pronkrisaliet, respectievelijk ter benadrukking van de hoeken en de middenpartij van de façade. In de loop van de 18de eeuw kreeg men weer behoefte aan versobering en verstrakking.

Alle landhuizen in Zuid-Holland zijn in de loop van de tijd aan de heersende smaak aangepast. Dit heeft als gevolg dat bijvoorbeeld originele kruisvensters met roedeverdeling zeldzaam zijn. Wel zijn 17de- en 18de-eeuwse gevels bij recente restauraties weer voorzien van vensters in oorspronkelijke vormen om zo de historische aanblik te herstellen (bv. Hofwijck te Voorburg).

Hoewel de detaillering dus veranderde, voldoen de meeste landhuizen in Zuid-Holland aan het hierboven geschetste classicistische model. Uitzonderingen vormen gebouwen die voor 1600 en na circa 1850 werden gebouwd.

Na circa 1850 worden de chaletstijl en eclectische stijlen als de (Franse) neorenaissance steeds belangrijker. De vanaf die tijd ontstane huizen zijn vaak de moderne, meer comfortabele en meestal op permanente bewoning ingerichte opvolgers van oudere huizen. In de 20ste eeuw komen daar de moderne architectuurstromingen bij, met werken van gerenommeerde architecten als W. Kromhout, Jac.Ph. Wormser en P. Vorkink en J.W. Hanrath.

Architectonische elementen en tuinsieraden

Van architectonische elementen en tuinsieraden is buitengewoon weinig bewaard gebleven. Follies, menagerieën, volières, schelpengrotten, bruggen en dergelijke worden in tal van schriftelijke bronnen genoemd. Van de aard, omvang en uiterlijk zijn weinig gegevens bekend.

De zogeheten folly, een schijngebouw in de vorm van een ruïne, een grot, een hermitage en dergelijke vormde vooral in de landschappelijke aanleg een onmisbaar element. Dergelijke constructies noodden tot melancholieke contemplatie over vergankelijkheid en waren bedoeld als verrassingselement tijdens de wandeling in het park. Er zijn weinig follies bewaard gebleven in Zuid-Holland (Huis ten Donck te Ridderkerk, Beresteijn te Voorschoten, Keukenhof te Lisse, Bisdom van Vliet te Haastrecht, Backershagen te Wassenaar).

Dienstgebouwen

In de formele parkaanleg van de 17de en 18de eeuw waren dienstgebouwen – ook wel bouwhuizen genoemd – in de regel zo opgesteld dat ze de symmetrie van de aanleg niet doorbraken. Vaak stonden ze aan weerszijden van het plein voor of achter het herenhuis. Een dergelijke formele configuratie kwam in Zuid-Holland geregeld voor, maar is nergens in de provincie in zijn geheel bewaard gebleven. Er zijn wel locaties waar één van beide bouwhuizen is blijven bestaan (Huis ten Donck). Hier en daar zijn bouwhuizen blijven bestaan, terwijl het herenhuis is afgebroken (Sion te Rijswijk, Ter Specke te Lisse).

De landschapsstijl bood meer mogelijkheden ten aanzien van de plaatsing van bijgebouwen. De dienstgebouwen werden opgenomen in de grilliger lanenstructuur binnen dit type aanleg en kwamen meer verspreid op het terrein te staan. Op talrijke plaatsen zijn tuinderswoningen, koetshuizen en dergelijke bewaard gebleven.

Duivenslag en zwanendrift

De duivenslag, het recht om duiven te houden, was een adellijk recht. Duivenkasten zijn op afbeeldingen van talloze kastelen te zien. De meestal houten constructies hangen kriskras, maar duidelijk in het zicht aan de muren van het kasteel of het herenhuis. Bij sommige kastelen waren de duiven ondergebracht in stenen torens. Hier werd het adellijk recht van de duivenslag gekoppeld aan een ander heerlijk privilege, de rechtspraak. De begane grond van dergelijke torens werd wel als gevangenis gebruikt.

Een dier dat men op tal van buitenplaatsen aantrof, is de zwaan. Het bezit van zwanendriften was aanvankelijk voorbehouden aan de adel. De oorsprong van de zwanendrift is onbekend. De zwaan gold in ieder geval als een edel dier, waaraan deugden werden toegedicht die zijn afgeleid van het gedrag van dit dier. De partners in een zwanenkoppel zijn elkaar levenslang trouw en de dieren verdedigen liefdevol hun kroost, als het moet met geweld.

Een aantal buitens in Zuid-Holland mocht zich verheugen in dit privilege. Voor zover bekend is er in onze provincie één buiten dat zijn naam ontleende aan het privilege: Swanendrift bij Alphen aan den Rijn. Opvallend is overigens dat alle buitenplaatsen die dit privilege genoten een middeleeuwse, feodale oorsprong hebben, waarbij er sprake is van een oud, aan de grond gekoppeld recht.

Behalve als siergevogelte, hielden zwanen kroos en waterplanten in de slotgracht of vijver in toom. Daarnaast werd de vogel gegeten en gebruikte men de veren als schrijfgerei.

Dat de zwaan een kostbaar bezit was, blijkt uit de fraaie halsbanden voor zwanen die bewaard zijn gebleven. Op de band stond de naam van de eigenaar of de buitenplaats waaraan de zwanendrift verbonden was. Verder werden zwanen wel gebrandmerkt, waarbij men herkenningstekens aanbracht op snavel en poot.

Inrijhekken

De toegang tot de buitenplaats diende te kunnen worden afgesloten. Dit gebeurde in de regel met zware smeedijzeren hekken, die waren opgehangen aan stenen hekpijlers of smeedijzeren – in de 19de eeuw ook gietijzeren – hekposten. Dikwijls werd het buiten van de weg gescheiden door een sloot of vaart. In dat geval vormden de hekpijlers één geheel met een stenen boogbrug.

Van inrijhekken werd meestal behoorlijk werk gemaakt. De toegang van de buitenplaats was immers het ‘visitekaartje’ van de eigenaar. De vleugels van de hekken werden in fraai smeedijzer uitgevoerd, waarbij de naam van het buiten dikwijls in het smeedwerk werd opgenomen en details volgens de laatste mode waren vormgegeven. Ook de pijlers waren veelal rijkelijk versierd. Soms werden ze in natuursteen uitgevoerd of met dit materiaal bekleed. Vaak zijn ze voorzien van een natuurstenen bekroning. Deze bestaat in de regel uit een dekplaat met daar bovenop een vaas, ananas, dennenappel, wapenschild of schilddragende leeuw.

In de 19de eeuw kwamen gietijzeren hekposten in combinatie met smeedijzeren draaihekken in zwang. Vaak deden deze hekken in schoonheid niet onder voor de stenen inrijhekken. Wel zijn ze ranker van uitvoering.

Inrijhekken zijn bij tal van buitenplaatsen in Zuid-Holland te bewonderen. Soms zijn het de enige resten die van een buitenplaats bewaard zijn gebleven.

Interieur

Er zijn op de Zuid-Hollandse buitenplaatsen weinig historische interieurs overgebleven. De voornaamste oorzaak hiervan is de functiewijziging van talrijke buitenplaatsen vanaf circa 1900. Buitens kwamen vaak in handen van instellingen en bedrijven, waarna de gebouwen op het buiten werden aangepast aan de bedrijfsvoering. Daardoor zijn vaak alleen rudimenten van de oorspronkelijke inrichting behouden gebleven.

Beter bewaard gebleven interieurs treffen we aan op buitenplaatsen die in particuliere handen zijn gebleven. Deze complexen hebben wel de oorspronkelijke woonfunctie behouden en de eigenaars besteden voor zover dat binnen hun mogelijkheden ligt veel aandacht aan de instandhouding.

Zijn historische interieurs al vrij zeldzaam op de Zuid-Hollandse buitenplaatsen, oorspronkelijke interieurs zijn nog veel moeilijker te vinden. De inrichting van het landhuis is misschien nog sterker aan de mode onderhevig dan de detaillering van het exterieur van een gebouw. Uitzonderlijk in Zuid-Holland is dan ook Huis ten Donck bij Ridderkerk, waar het interieur in rijke Lodewijk-XV-stijl uit de bouwtijd van het huis goed bewaard is gebleven. Ook enkele 19de-eeuwse huizen hebben gave interieurs, waaronder met name Bisdom van Vliet in Haastrecht. Van dit huis is ook de oorspronkelijke inboedel vrijwel volledig bewaard gebleven, een unicum in Zuid-Holland.

Oranjerieën

Een bijgebouw dat geregeld op buitenplaatsen aanwezig was, is de oranjerie. De oranjerie diende aanvankelijk als overwinteringplaats voor citrussoorten waaronder oranjeboompjes (vandaar de naam) en later ook voor exotische planten. Omdat de meeste citrussoorten enige koude en zeer lichte vorst kunnen verdragen, was het aanvankelijk niet nodig deze gebouwen te verwarmen. Toen in de loop van de 17de eeuw vorstgevoeliger planten beschikbaar kwamen, zoals laurus, oleander en palmsoorten, werd verwarming noodzakelijk. In oranjerieën hield men de temperatuur op peil met kachels. Een verwarming tot vijf graden Celsius was meestal adequaat. Dit was evenwel niet voldoende voor het telen van exoten uit de tropen, die bijvoorbeeld via de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC) ons land bereikten. Deze gewassen hebben gelijkmatige en continue verwarming nodig tot zestien of zeventien graden Celsius. Dergelijke temperaturen konden alleen worden bereikt in zogeheten stookkassen, die in ons land pas omstreeks 1685 werden geïntroduceerd. Deze eerste stookkassen waren kleine constructies die meestal tegen de al bestaande oranjerie werden opgetrokken. De verwarming geschiedde met turfgestookte ovens.

De meeste oranjerieën en stookkassen zijn inmiddels verdwenen. Toch bestaan er in Zuid-Holland nog elf van dit soort voorzieningen. De oranjerieën van Berbice te Voorschoten en Huis ter Horst te Wassenaar dateren uit de 17de eeuw. De overige oranjerieën in Zuid-Holland zijn gebouwd in de 19de eeuw, toen het houden van exotische planten opnieuw in de belangstelling kwam te staan.

De meeste oranjerieën stonden aan de noordzijde van de moestuin van de buitenplaats, zodat optimaal gebruik kon worden gemaakt van zonlicht dat door de grote vensters in de zuidelijke gevel

Zeeland

Kasteel Domburg

Versterkte buitenplaatsen

Zeeland was in de gouden eeuw een zeer welvarende provincie. Rijke kooplieden hadden fraaie pakhuizen aan de grachten en kochten op Walcheren boerderijen op en bouwden hier de fraaiste buitenplaatsen.

Maar liefst 200 buitenplaatsen!

Door de goede handel groeiden de buitenplaatsen rond 1750 uit tot grote oppervlakten en werden ze voorzien van brede kanaalvormige vijvers, lange lanen en kamervormige tuinen. De meeste tuinen hadden een sterke Franse invloed met strakke rechthoekige indelingen. In deze glorietijd was een achtste deel van het eiland Walcheren bedekt met buitenplaatsen, totaal waren er ongeveer 200!

De kroniekschrijver Smallegange deed eind 17de eeuw de volgende constatering: ‘de dorpen, heerlijke huizen en lusthoven liggen zo dicht op malkander, dat die de anderen als met een steen kunnen bewerpen’. Walcheren was dan ook voor een achtste deel bebouwd met buitenplaatsen en landgoederen. Die drastische verandering van het landschap voltrok zich in een kleine honderd jaar. In totaal telde het platteland van Walcheren ongeveer 270 buitenplaatsen.

De trek naar buiten

Zodra mensen een zekere welstand bereikten, gingen zij meer aandacht besteden aan het op aangename wijze doorbrengen van hun vrije tijd. Al in de oudheid waren er in Perzië fraaie tuinen. In Rome ontstond rond het jaar nul een cultus rond het bouwen van villa’s en tuinieren. In de 16de-eeuwse Nederlanden kwam een hang op naar deze klassieke kunstvormen. Een tuincultuur ontwikkelde zich, waarin was voorzien in mooie lusthoven. Dit zijn buitenhuizen omringd door prachtig aangelegde tuinen. Inspiratiebron was onder meer een beroemd boek over renaissance tuinen van Vredeman de Vries uit 1598.

Welvaart en pest

Aan het eind van de 16de eeuw nam de welvaart in de Zeeuwse steden toe. Er gingen meer mensen wonen. Het leven in de steden was in de zomer geen pretje door de stinkende grachten (er was nog geen gesloten rioleringssysteem), grote hoeveelheden (paarden)mest en de vele mensen die dicht op elkaar woonden. Ook vluchtten rijke burgers weg vanwege de pest die er soms heerste. Het platteland was een aantrekkelijke rustplaats.

Belegging

Een buitenplaats werd ook gezien als een waardevaste geldbelegging. Rijke stedelingen belegden in grond, onder meer door inpolderingen te financieren. Ook zien we dat de stedelijke elite zich met het verdiende geld een meer aristocratische levensstijl aanmat.

Een gemiddelde buitenplaats kon in de 17de eeuw voor tien- tot vijftienduizend gulden worden gekocht. Daarbij hoorde ongeveer 15 ha grond en vaak ook nog een boerderij met landbouwgrond. De grootste buitenplaatsen brachten op verkopingen wel een ton op.

Kosten

De 17de-eeuwse buitenhuizen waren vaak nog sober ingericht, met meubels die meekwamen uit de stad. Kostbare wanddecoraties, zoals goudleer, waren in de buitenhuizen zeldzaam.

Veel eigenaren claimden hun buiten aan te houden voor de opbrengsten uit onder meer de houtkap, moestuin en boomgaard. De kosten van het buiten overtroffen echter de baten. Op veel grote buitenplaatsen waren meerdere tuinlieden in dienst om de vele perken te onderhouden.

Torens

Typerend voor de buitenhuizen van de Zeeuwse patriciërs zijn de torens. Waarschijnlijk dienden deze torens om over het eiland en de zee uit te kunnen kijken en refereerden ze aan Italiaanse architectuur.

Ondergang

Eind 18de eeuw kwam er een einde aan de welvaart in de Zeeuwse steden. De handel – de grote welvaartsbron – stortte in. De buitenplaatsen verpauperden. Inkwartieringen en oorlogshandelingen tijdens de Franse tijd veroorzaakten ook veel schade. De soldaten sprongen ruw om met de interieurs, waardoor veel ornamenten sneuvelden. Veel buitenplaatsen werden verkocht aan boeren. De huizen werden afgebroken en de tuinen, parken en bossen werden in gebruik genomen als akkerland. Een goed voorbeeld daarvan is Poppenroede Ambacht bij Middelburg. Dit buiten werd na 1834 afgebroken, waarna er een boerderij werd gebouwd. De huidige oprijlaan ligt nu ongeveer op dezelfde plaats als de oude.

Een kleine twee eeuwen na de totstandkoming van de ‘tuin van Zeeland’ was het Walcherse landschap zodoende opnieuw drastisch gewijzigd. In de 19de eeuw werden in de Manteling onder Oostkapelle nog enkele nieuwe buitenplaatsen gebouwd, zoals Schoonoord (1839), Iepenoord (1842-1843) en Eikenoord (1857). Het verval van de 17de-eeuwse buitenhuizen en het lustlandschap was echter in volle gang.

Doordat de buitenhuizen zo groot waren, werd het onderhoud nagenoeg onbetaalbaar. De overgebleven exemplaren verloren hun particuliere woonbestemming. De huizen bieden nu onderdak aan kantoren, zorginstellingen en appartementen.

Utrecht

Kastelen in Utrecht

Wat is een kasteel?

Bij een kasteel gaat het om een middeleeuws bouwwerk met een gecombineerde functie van verdedigbaarheid en bewoonbaarheid. In de regel gaat het om de woning van een adellijke familie, waarbij het kasteel een functie vervult als bestuurlijk centrum voor de omgeving. Daarnaast heeft het kasteel ook een economische functie. Zo was er bij veel kastelen ook een agrarisch bedrijf op het kasteelterrein gevestigd.

Vanaf de twaalfde eeuw nam het aantal kastelen in het Sticht sterk toe. Behalve op de oude gronden langs de Kromme Rijn, de Oude Rijn en de Vecht verrezen ook veel kastelen in de veengebieden die in de elfde en twaalfde eeuw in cultuur werden gebracht, zoals die langs de Langbroekerwetering en de Jutphase wetering.

In het Sticht zijn ook kastelen te vinden die niet aan de adel toebehoorden maar aan de bisschop of hoge geestelijken. Voorbeelden daarvan vormen de bisschoppelijke kastelen in Abcoude, Ter Horst, Duurstede, Ter Eem, Stoutenburg en Vreeland en de kastelen van de proost van de Dom in Doorn en de proost van Sint Jan in Mijdrecht. Een bijzonder geval vormt de burcht Trecht, gelegen ter plaatse van het oude Romeinse fort midden in de stad Utrecht, die van oudsher als residentie van de bisschop diende. Naast de Bisschopshof bevonden zich binnen de muren van deze burcht ook de huizen van de kanunniken van Dom en Oudmunster. Vanaf het midden van de elfde eeuw had ook de Duitse keizer hier een eigen residentie, de palts Lofen.

In de late Middeleeuwen traden soms ook steden op als bouwheer van een kasteel. Zo lieten de Utrechtse gilden een versterkte huis bouwen in Vreeswijk, de Gildenborgh, ter bescherming van de sluis die de toegang vormde van de Vaartse Rijn die Utrecht met de Lek verbond.

Een terrein waar ooit een kasteel heeft gestaan, wordt ook wel aangeduid als kasteelplaats. Tot deze terreinen worden behalve het eigenlijke kasteel ook de bijgebouwen, de voorburcht en de bijbehorende tuinen, singels en grachten gerekend. Bij een aantal van de 113 kasteelplaatsen die voor de provincie Utrecht in kaart zijn gebracht, zijn nog wel ruines of resten van de bijgebouwen te vinden. Daarnaast zijn veel van deze terreinen nog herkenbaar aan resten van de oude omgrachting. Van andere kasteelplaatsen resteren alleen nog archeologische resten of vermeldingen in de historische bronnen.

Wat is een ridderhofstad?

Vanaf de zestiende eeuw wordt een aantal van de kastelen binnen het Sticht bestempeld als ridderhofstad. In oorsprong was dit een kwalificatie met een fiscale achtergrond. De term duikt voor het eerst op in 1512 toen de bisschop en de Staten van Utrecht afspraken maakten over de herinvoering van het ‘huisgeld’, een jaarlijkse belasting op elk huis. Daarbij werd tevens bepaald dat de huizen van de leden van de ridderschap van deze belasting zouden worden vrijgesteld.

 

De heffing van deze belasting in de jaren daarna verliep niet zonder problemen. Zo ontstond er discussie over de vraag welke huizen nu wel of niet de status van ridderhofstad genoten. In 1536 stelden de Staten van Utrecht vast aan welke criteria een ridderhofstad moest voldoen. In de eerste plaats moest de eigenaar behoren tot de ridderschap. In de tweede plaats moest het gaan om een huis met een riddermatig uiterlijk, dat wil zeggen: een versterkt huis met gracht en omhaalbrug. De aanwezigheid van een eigen boerderij binnen het gebouwencomplex van de ridderhofstad vormde een derde voorwaarde. Dit resulteerde in een lijst van 38 ridderhofsteden die in de jaren 1536-1539 verder werd aangevuld tot 59 erkende ridderhofsteden. Tot een finale lijst kwam het echter niet omdat de Staten uiteindelijk besloten om in plaats van het huisgeld een grondbelasting in te voeren. Overigens kwamen niet alle kastelen in het Sticht voor opname in de lijst in aanmerking. Zo ontbreken alle landsheerlijke kastelen evenals de versterkte huizen in de vrijheden van de steden Utrecht, Amersfoort, Wijk bij Duurstede en Rhenen, en in die delen van het Sticht die zich aan het gezag van de landsheer en de Staten onttrokken zoals de proosdij van Sint Jan, Hagestein, Ameide, Honswijk en stad en land van Montfoort.

Vanaf het einde van de zestiende eeuw werd het bezit van een ridderhofstad steeds belangrijker als voorwaarde om te worden toegelaten tot de ridderschap, die als stand een eigen vertegenwoordiging kende in de Staten van Utrecht. Dit maakte het bezit van een ridderhofstad zeer aantrekkelijk. Verschillende adellijke families kochten ridderhofsteden om zo toegang tot de ridderschap te krijgen  voor hun zonen. Het werd steeds belangrijker om vast te stellen welke huizen nu werkelijk een ridderhofstad waren. Tussen 1608-1611 werd een nieuwe lijst opgesteld met maar liefst 110 huizen maar deze heeft nooit een officiële status gekregen. Omdat de riddermatigen hun gelederen liever gesloten hielden, probeerde men het aantal ridderhofsteden te beperken. Uiteindelijk bleef de lijst van 1536-1539 van kracht en hebben de Staten in de zeventiende eeuw slechts een beperkt aantal kastelen als ridderhofstad officieel erkend. Vanaf 1680 kwamen er geen nieuwe erkenningen meer bij en telde het Sticht in totaal 70 ridderhofsteden. Twee daarvan, Langerak en Langestein, lagen op de zuidoever van de Lek en worden tegenwoordig tot de provincie Zuid-Holland gerekend.

Wat is een buitenplaats?

Het is niet altijd even duidelijk hoe de termen kasteel, ridderhofstad, landhuis, landgoed, buitenhuis en buitenplaats zich tot elkaar verhouden. In recente publicaties wordt de term buitenplaats gehanteerd als overkoepelend begrip.

Dit begrip kent ook een wettelijke verankering in het Besluit Rijkssubsidiering Historische Buitenplaatsen 1988. Daarin wordt de (historische) buitenplaats gedefinieerd als een ruimtelijk geheel, dat ‘met name wordt gevormd door een, eventueel thans verdwenen, in oorsprong versterkt huis, kasteel, buitenhuis of landhuis, met bijgebouwen, omgeven door tuinen en/of park met één of meer van de volgende onderdelen, zoals grachten, waterpartijen, lanen, boomgroepen, parkbossen, (sier)weiden, moestuinen, ornamenten.’ De samenstellende onderdelen van dit ensemble zijn door opzet of ontwerp van tuin en park en het (utilitair) gebruik historisch en architectonisch met elkaar verbonden en vormen zo een compositorische eenheid.

Kort gezegd is een buitenplaats: een monumentaal huis, dat samen met eventuele bijgebouwen één geheel vormt met de omringende tuinen of parkaanleg. Dit monumentale huis kan dus zowel een kasteel, als een buitenhuis of een landhuis zijn. Een buitenplaats kan deel uitmaken van een landgoed maar er zijn ook veel buitenplaatsen zonder landerijen.

De nog bestaande kastelen worden tegenwoordig onder de buitenplaatsen gerekend. Locaties van niet meer bestaande kastelen worden ook wel kasteelplaatsen genoemd. Een aantal van de kastelen in de provincie Utrecht is in de zestiende of zeventiende eeuw gekwalificeerd als ridderhofstad.

Uit een recente inventarisatie blijkt dat er binnen de grenzen van de provincie nog zo’n 300 buitenplaatsen resteren waarvan het huis en/of de bijbouwen nog overeind staan

Wat is een buitenhuis?

Het buitenhuis onderscheidt zich van het kasteel door het ontbreken van verdedigingsfunctie. Bij deze categorie gaat het om een herenhuis met een stijltuin of parkaanleg buiten de muren van de stad, waarbij het comfort van de woonfunctie voorop staat. Veel buitenhuizen werden alleen in de zomer bewoond.

De opkomst van het buitenhuis gaat terug tot in het midden van de zestiende eeuw. Het vroegste voorbeeld vormt het ‘huys van plaisance’ dat Pieter de Clerck, rentmeester van de domeinen van Utrecht, kort voor 1550 liet bouwen in Lauwerecht, in de stadsvrijheid van Utrecht. In de zeventiende eeuw nam de bouw van buitenhuizen een grote vlucht, met name langs de Vecht, waar veel Amsterdamse kooplieden een luxueus buitenverblijf lieten inrichten met bijbehorende siertuin. Een vroeg voorbeeld hiervan biedt Goudenstein in Maarssen, dat door de Amsterdamse koopman Johan Huydecoper werd gebouwd op een terrein dat hij in 1608 daartoe had aangekocht.

Veel buitenhuizen kwamen bij of ter plaatse van een voormalige boerderij tot stand. Goudestein is daarvan een voorbeeld. Daarnaast zijn er buitenplaatsen die voortkwamen uit een herberg, zoals Bloeijendael aan de Biltse Steenstraat of De Minstroom bij Utrecht. Ook de terreinen van voormalige kloosters en abdijen buiten de muren van de stad kwamen in aanmerking als buitenplaats. Als voorbeelden kunnen Oudwijk, Oostbroek en Vrouwenklooster worden genoemd.

Later in de zeventiende eeuw werden ook oude kasteelterreinen aangekocht voor de aanleg van buitenplaatsen. Vooral na de grootschalige verwoesting van kastelen in het Sticht door de Franse troepen in het Rampjaar 1672 maakten veel oude kastelen plaats voor een herbouw in een stijl die nauw aansloot bij de architectuur van de zeventiende-eeuwse buitenhuizen. Een bekend voorbeeld hiervan is kasteel Amerongen.

Behalve langs de Vecht ontstonden ook veel buitenplaatsen op de zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug. In de tweede helft van de zeventiende eeuw stichtten de Oranjes hier enkele grote buitenplaatsen: Zuylestein bij Leersum, het jachtpaleis Soestdijk en het Slot van Zeist. Andere buitenplaatsen ontstaan op de ruime kavels langs de in 1653 aangelegde Amersfoortseweg. In de achttiende eeuw neemt de aanleg van buitenplaatsen op de Heuvelrug een grote vlucht en groeit dit gebied uit tot wat wel de Stichtse Lustwarande wordt genoemd

Overijssel

Kastelen in Overijssel

Landgoederen zijn er in alle soorten en maten: groot en klein, oud en nieuw, particulier of publiek. De landgoederen in Overijssel worden ook wel aangeduid als buitenplaatsen, havezaten, spiekers of kastelen. Een juist begrip van de voorgeschiedenis verschaft de nodige duidelijkheid.

Middeleeuwse kastelen

De oudste landgoederen in Overijssel dateren uit de Middeleeuwen. Deze hadden vaak een militair- strategische functie. Overijssel telde een tiental burchten of kastelen die in handen van de landsheer, de bisschop van Utrecht, of lokale machthebbers waren. Kenmerkend voor een middeleeuwse burcht was de versterkte toren, de zogenaamde donjon. Van dit type versterkingen is alleen kasteel Rechteren bij Dalfsen bewaard gebleven. Jongere landhuizen worden ten onrechte ook wel als kasteel aangeduid. Vaak gaat het hierbij om huizen die door het aanbrengen van hoektorens en/of kantelen het uiterlijk van een kasteel hebben gekregen.

Havezaten (17de en 18de eeuw)

Van 1578 tot 1795 was Overijssel één van de zeven zelfstandige Nederlandse gewesten. Het bestuur van de provincie lag in handen van de drie hoofdsteden Deventer, Kampen en Zwolle en van de Ridderschap. Het lidmaatschap van de Ridderschap stond open voor edellieden uit oude Overijsselse geslachten, die de gereformeerde religie aanhingen en in bezit waren van een woonhuis op het platteland of in de stad Vollenhove, een zaalstede of havezate geheten. Een havezate met bijbehorende goederen moest tenminste 25.000 gulden waard zijn. In ruil voor deelname aan het provinciaal bestuur genoot de bezitter van een havezate belastingvoordelen. De meeste havezaten kenmerken zich door een hoofdgebouw van twee of drie etages, omringd door een gracht, voorzien van enkele bijgebouwen en tuinen en parken in formele en/of landschappelijke stijl.

Spiekers (tot de 18de eeuw)

Welvarende burgers uit met name de Overijsselse steden belegden een deel van hun vermogen in boerderijen en grond op het platteland. Voor verpachting van dit vastgoed lieten zij zich uitbetalen in natura, overwegend graan, dat ter plekke werd opgeslagen. Vaak hadden de burgers een eigen vertrek in of zelfstandig woongedeelte bij de pachtboerderij, die ook wel spieker (= graanopslagplaats) werd genoemd. In de loop van de tijd ontwikkelde een dergelijk bezit zich vaak tot een volwaardig landhuis. De spiekers onderscheiden zich over het algemeen van de havezaten door een bescheidener bouwvolume en grondoppervlak en het ontbreken van een gracht direct om het huis.

Buitenplaatsen (19de eeuw)

Door de Bataafse omwenteling van 1795 verloren de havezaten hun staatsrechtelijke betekenis. Aan de automatische vertegenwoordiging van de adel in het openbaar bestuur kwam een einde. Veel havezaten zijn nadien gesloopt of in handen van rijke burgers gekomen. Bij de hogere burgerij tekende zich steeds nadrukkelijker een trend af om de zomerdagen buiten de stad op het platteland door te brengen. Zij lieten ook nieuwe huizen bouwen, vaak op zojuist ontgonnen heide- en moerasgronden. Deze buitenhuizen fungeerden dus letterlijk als plaats buiten de stad, waar men in de zomer vakantie hield en in het najaar genoot van de jacht. Een bijzondere categorie vormen de buitenplaatsen die tussen 1850 en 1960 door textielfabrikanten in Twente zijn aangelegd.

Landgoederen (20ste eeuw)

In de 20ste eeuw kwam er steeds meer begrip voor de landschappelijke functie die de buitenplaatsen vervulden, met name vanwege de exploitatie van de weinig rendabele bossen. In 1928 werd de Natuurschoonwet van kracht, die eigenaren van erkende landgoederen fiscale voordelen bood. Voorheen was de term landgoed al in gebruik voor een stuk grond in het buitengebied, al dan niet met landhuis, maar nu kreeg deze een officiële status. Een tegenprestatie voor rangschikking onder de Natuurschoonwet is (gedeeltelijke) openstelling van het landgoed. De wet was het begin van een toenemende bemoeienis van overheden met landgoederen. De exploitatie van de landgoederen kon steeds minder uit de traditionele inkomsten uit pacht en bosbouw gedekt worden. De eigenaren gingen op zoek naar alternatieve inkomsten (niet in de laatste plaats werk buiten de deur) of besloten hun eigendom over te dragen aan familiestichtingen, overheden of natuurbeheerorganisaties. De afgelopen decennia is veel geld en aandacht besteed aan de restauratie van soms sterk vervallen landgoederen in Overijssel.

Noord-Holland

Kastelen in Noord-Holland

Het gebied tussen Vogelenzang en Bergen stond vol met kastelen. Tussen 1200 en 1500 waren er meer dan 30 kastelen en versterkte huizen. Dit kwam omdat Kennemerland een belangrijke rol speelde in de geschiedenis. Eerst in de Frankische tijd van 400 tot 1000. Maar ook toen Kennemerland onderdeel was van het Graafschap Holland. Dit was in de periode van 1100 tot ongeveer 1580. De kastelen hadden een belangrijke rol, namelijk een militaire functie. Vanuit hier werd het omringende land verdedigd. Van de 30 kastelen is er niet veel overgebleven. Veel kastelen werden beschadigd of verwoest tijdens de vele oorlogen.

Een kleine heuvel

Langs de Rijksstraatweg in Heemskerk ligt een klein, onopvallend heuveltje. Dit is de Schepelenberg, vlakbij de Marquettelaan. Het kleine heuveltje speelde een belangrijke rol in de geschiedenis van Kennemerland. Je vindt er een zuil met een inscriptie. Op deze plaats werden de graven van Holland ingehuldigd als Heren van Kennemerland. Daarom heet het Huldtoneel. Door de inhuldiging kreeg de graaf van Holland steun van boeren en edelen van Kennemerland. In de praktijk klopte dit niet helemaal. De heren en boeren van Kennemerland vochten ook tegen de Graaf van Holland.

Strategische plek

Bijna alle kastelen van Kennemerland lagen op een strategische plek. Dat was op of aan de rand van een oude strandwal. Hier liepen delen van een Konings- of Heereweg, de belangrijkste verbindingsroute over land tussen het noorden en zuiden van Holland. De meeste kastelen lagen rond Heemskerk, Beverwijk en Velsen. Voor de vijand was het moeilijk om de smalle landreep tussen de Noordzee en het IJ over te steken. Je moest dan langs één van de dwangburchten. Bijvoorbeeld Marquette, Oud-Haerlem, Oosterwijk, Merestein en kasteel Adrichem. De kastelen hebben veel aanvallen tegengehouden van de West-Friezen of de boeren uit Kennemerland.

Overal kastelen

Floris V, de graaf van Holland, liet langs de West-Friese Omringdijk vijf nieuwe burchten bouwen. Eén van de bekendste is het Muiderslot. Vanuit zijn kastelen kon hij de West-Friezen goed in de gaten houden. De toegang tot Kennemerland vanuit Alkmaar werd bewaakt door maar liefst drie burchten. De Middelburg, de Nieuwburg en de Torenburg. Van de dwangburchten Middelburg, de Nieuwburg en de Torenburg zijn nog alleen resten te vinden van de Nieuwburg. Bij Harenkarspel lag vroeger de dwangburcht Nuwendoorn. Nu kun je alleen nog de fundamenten zien in het landschap.

Groot en log

De eerste burchten waren log en hadden zware torens. Het was niet prettig om in de torens te wonen. In de tweede helft van de dertiende eeuw veranderde de vorm van de burchten. De kastelen werden vierkant en om de binnenplaatsen kwam een muur. Er werden aparte woonvleugels gebouwd en om het kasteel heen lag een slotgracht. In de veertiende en vijftiende eeuw verloren de kastelen hun functie. Het werden bouwvallen en het was niet meer mogelijk om er te wonen. Sommige oude kastelen kregen in de zeventiende en achttiende eeuw een nieuwe functie. Rijke stadsbewoners verbouwden ze tot buitenplaatsen.

Slot Brederode

Eén van de grootste en meest bekende kastelen is Slot Brederode. Het slot werd al rond 1250 door Willem I van Brederode gebouwd bij Santpoort Zuid. Het slot werd heel vaak aangevallen door verschillende vijanden. Daardoor veranderde het in een ruïne. Inmiddels wordt de ruïne van Brederode geconsolideerd. De spannende film Snuf en het spookslot is opgenomen bij de ruïne van Brederode.

Slot van Egmont

Eén ander mooi en groot kasteel is het slot van de Heren van Egmont in Egmond aan de Hoef. Beerwout I van Egmond versterkte in 1129 zijn hoeve. Dit was het begin van het slot. Helaas werd het huis verwoest in 1203, maar Wouter van Egmont bouwde in 1203 een ringburcht. De burcht kreeg een uitbreiding met een voorburcht en torens. Helaas werd het in de brand gestoken in de oorlog tegen de Spanjaarden. De heren van Egmont lieten het kasteel opknappen. Maar in 1798 werd het aan slopers verkocht. Het verdween in het moeras en rond 1930 werd de resten teruggevonden. Tegenwoordig kun je de resten weer bezoeken